Foto Michael Allen / Flickr

De top 50 van de PVDA: meer dan ooit handig om de fiscale privileges van de rijken bloot te leggen

De top 50 van de fiscale kortingen doet pijn. Elk jaar stelt de PVDA een rangschikking op van Belgische vennootschappen die de grootste fiscale cadeaus krijgen. En elk jaar zijn er bakken kritiek op die top 50. Nochtans bevat die studie al het antwoord op die kritieken … 

De cijfers zelf – de winsten en belastingen van de vennootschappen – kunnen niet betwist worden, want ze komen uit de jaarrekeningen die de vennootschappen zelf indienen bij de Nationale Bank. De kritiek op de top 50 draait altijd rond hetzelfde punt: hij is gebaseerd op de werkelijke jaarrekeningen van de betreffende vennootschappen ( de rekeningen die als basis dienen voor de vennootschappen om hun belastingaangifte te doen) en niet op de geconsolideerde jaarrekening.

De geconsolideerde rekeningen zijn een samenvatting van de rekeningen van alle vennootschappen, zowel Belgische als buitenlandse, van een groep. Degenen die kritiek leveren op de top 50 vinden dat we ons moeten baseren op de geconsolideerde rekeningen om rekening te houden met de belastingen die al weren betaald door alle filialen van de groep.

Het antwoord van de PVDA in drie punten.

1. De top 50 is een analyse van de situatie van de Belgische fiscaliteit. Het heeft dus geen zin de belastingen te onderzoeken die de buitenlandse filialen van een groep hebben betaald.

2. De grootste fiscale korting die de vennootschappen uit de top 50 gebruiken is de vrijstelling van dividenden door die vennootschappen (het DBI-systeem, de definitief belaste inkomsten). Degenen die kritiek hebben op de top 50 vinden die vrijstelling gerechtvaardigd om een dubbele belasting te voorkomen. Dat is overigens de officiële motivatie voor de DBI: als vennootschap A dividenden krijgt van vennootschap B, gaat men ervan uit dat de winst van deze laatste al werd belast. Het is niet nodig de dividenden te belasten die de winsten van vennootschap A vergroten. Maar deze kritiek vergeet een ding te melden, vennootschap A wordt vrijgesteld, ongeacht de belastingen die vennootschap B betaalde. Het gebeurt regelmatig dat de winsten van een filiaal dat dividenden uitkeert aan de moedervennootschap omzeggens niet werden belast. Bijgevolg, in plaats van een dubbele belasting te vermijden, zorgt de DBI voor een dubbele niet-belasting.

3. Maar vooral: het DBI-systeem is essentieel om het mogelijk te maken dat zeer rijke families (Boël, Frère, Bertrand, de Spoelberch, Huts en anderen met vennootschappen in onze top 50) een gigantisch vermogen accumuleren in holdings, zonder ooit belastingen te betalen, noch op hun vermogen, noch op de inkomsten uit dat vermogen.

Dat is mogelijk, want de voorwaarden voor de DBI zijn op maat geschreven van de rijkste vennootschappen. We nemen het voorbeeld van vennootschap A waaraan vennootschap B dividenden uitkeert; om te genieten van de DBI moet vennootschap A een aandeel bezitten in vennootschap B van minstens 10% of een bedrag van 2,5 miljoen euro.

In de studie van de top 50 staat daarvoor een leerzame vergelijking van drie situaties:

  • BVBA “Mijn eigen bedrijfje” is een loodgietersbedrijf dat na het ontvangen van een goede tip beslist een deel van zijn winst op de beurs te beleggen. Het heeft voor 300.000 euro aandelen van Colruyt gekocht, namelijk 6.000 aandelen aan 50 euro per stuk. Elk aandeel is goed voor 1,18 euro dividend, goed voor een totale opbrengst van 7.080 euro, wat de winst van het bedrijf aandikt. Aangezien het bedrijf een belang heeft van minder dan 2,5 miljoen euro – laat staan van minstens 10% van de 150 miljoen aandelen van Colruyt die in omloop zijn – heeft het geen recht op de DBI-aftrek. Zijn financiële inkomsten zullen dus belast worden aan het standaardtarief van de vennootschapsbelasting (33,99%).
  • Meneer Dupont heeft een mooi vermogen van 600.000 euro dat hij op de beurs belegt, eveneens in Colruytaandelen. Hij koopt 12.000 aandelen, die hem 14.160 euro dividend opleveren. Omdat meneer Dupont een natuurlijke persoon is en geen bedrijf, heeft hij geen recht op DBI-aftrek (hij zou toch niet aan de voorwaarden voldoen om die aftrek te krijgen). Hij moet dus 30% roerende voorheffing betalen op die financiële inkomsten.
  • Sofina, de grootste holding van de familie Boël en de nummer 1 van onze Top 50, is al sinds 1975 aandeelhouder van Colruyt. De portefeuille van de holding omvat participaties in een vijftigtal bedrijven, onder meer 7,78 miljoen Colruytaandelen, goed voor 5,18% van het kapitaal van de distributiegroep. Sofina heeft dus minder dan 10% van het kapitaal in handen, maar de waarde van zijn participatie – goed voor 390 miljoen euro – is ruim boven de minimumwaarde die is vastgelegd op 2,5 miljoen. Sofina kan dus genieten van de DBI-aftrek voor zijn dividenden van Colruytaandelen, die de holding 9,18 miljoen euro opleveren. De holding van de familie Boël moet dus slechts 1,7% belasting betalen op die inkomsten (d.w.z. 5% x de vennootschapsbelasting van 33,99%, met een DBI-aftrek van 95%). Vanaf het inkomstenjaar 2018 wordt dat zelfs 0%, dankzij de hervorming van de vennootschapsbelasting, die de DBI-aftrek verhoogt tot 100%.

Naast roerende voorheffing zal meneer Dupont trouwens ook nog de nieuwe effectentaks moeten betalen. De leden van de familie Boël daarentegen zullen, net als de andere superrijken, noch roerende voorheffing noch effectentaks moeten betalen, want ze bouwen hun vermogen op via bedrijven en werken niet met effectenrekeningen.

Dat is de waarheid die de top 50 toont. een waarheid die sommigen niet graag horen. Vooral als men weet dat in de raad van bestuur van de nummer 1 van onze top 50, de holding Sofina, voormalig eerste Minister Guy Verhofstadt zetelt.

Commentaar toevoegen

You must have Javascript enabled to use this form.