#GoLeft9: Een Europa van solidariteit en samenwerking

Vaststellingen

Eén. Een sociale en economische catastrofe in de Europese Unie.

De bankencrisis heeft de broze constructie van de Europese Unie uiteengescheurd. De kloof tussen de rijkere landen onder aanvoering van Duitsland en de armere landen in het zuiden en het oosten van Europa is scherp aan de oppervlakte gekomen. Er heerst de wet van de sterkste, van solidariteit is geen sprake. Om de Unie bijeen te houden en de euro te redden is er maar één devies: iedereen moet in de pas van de meest competitieve lopen. Sinds zes jaar levert de Europese bevolking in: bezuinigingen in de sociale zekerheid, de gezondheidszorg en de pensioenen; afslankingen van openbare besturen; privatiseringen en afdankingen in staatsbedrijven; armoedebanen, loonstop en loonsverminderingen.

 

Overal in Europa waar ze sinds het begin van de crisis werd opgelegd, heeft de spaarpolitiek tot hetzelfde resultaat geleid: meer tekorten en meer schulden. In Griekenland steeg de schuld in twee jaar van 127% naar 165% van het bbp. In Spanje steeg de schuld van 36,7% in 2008 naar 96% van het bbp in 2013. Idem voor België: de schuld ging van 84% in 2007 naar meer dan 100% vandaag, een nominale stijging van bijna honderd miljard euro, en dat “ondanks” de 22 miljard besparingen tussen 2011 en 2014. De spaarpolitiek heeft de problemen alleen maar verergerd: hoe meer besparingen, hoe dieper de recessie. De soberheidspolitiek heeft nooit gewerkt en zal ook nooit werken. Noch in het noorden, noch in het zuiden, nergens is er een voorbeeld dat zo’n beleid positieve resultaten kan voorleggen.

Er valt niet naast te kijken: sinds 2008 zijn in de EU 10 miljoen werklozen bijgekomen, van 16 naar 26 miljoen. En er kwamen 9 miljoen armen bij: van 114 naar 123 miljoen. Dat is één op vier van de Europese burgers. Tien procent van de gezinnen met een looninkomen leeft nu onder de armoedegrens.

In de landen die de zwaarste inleveringen kregen opgelegd, liggen de cijfers nog veel hoger. In Spanje worden elke dag 115 families uit hun huis gezet. In Griekenland zijn de lonen met 10% en de pensioenen met 30% gedaald. Griekenland, Portugal, Spanje, Italië, Roemenië, Bulgarije, Ierland en het Verenigd Koninkrijk horen nu tot de groep landen met de grootste welvaartskloof en komen stilaan in de buurt van Zuid-Soedan of Paraguay.

 

De Europese Unie en de Europese regeringen opteren ervoor de crisis af te wentelen op de werkende en zwakste bevolkingslagen. Ook in België, dat een tussenpositie inneemt tussen de rijkste en armste landen, is dat sinds vijf jaar de politiek van de federale regering en van de gewestregeringen. België stapt mee in de stoet van sociale vernietiging.

Ook economisch is de spaarpolitiek een rampscenario. De automobielsector staat daar symbool voor. De markt zit constant in nesten en blijft in waarde afnemen. De Europese automarkt verloor in zes jaar 3,8 miljoen wagens: van 16 miljoen in 2007 naar 12,2 miljoen in 2013. Dat heeft ook repercussies voor de industrie die aan deze sector levert: elektronica, banden, staal, glas, werktuigen… Het kan ook moeilijk anders, met alle inleveringen.

Nooit sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de werkloosheidscijfers zo hoog gestaan. Spanje en Griekenland komen in de buurt van 27% van de beroepsactieve bevolking. Voor de jongeren klimt het tot boven 50. Het officiële cijfer voor België lag eind 2013 op 9%, maar de RVA betaalt een volledige werkloosheidsuitkering uit aan zo’n 665.000 mensen, dat is 13,3% van de beroepsactieve bevolking. En dit ondanks het gedwongen parkeren van jongeren in nepbanen en van vrouwen in deeltijdse banen. En vooral: ondanks het groeiend aantal uitsluitingen.

 

In het plan Europa 2020 van de Europese Unie werd een daling van het aantal armen met 20 miljoen beloofd. Als men dezelfde koers blijft varen, zullen er eerder 20 miljoen bijkomen. We zien fenomenen opduiken die tot voor kort met derdewereldlanden werden geassocieerd: krottenwijken aan de rand van een aantal hoofdsteden, grote aantallen daklozen in schijnbaar welvarende steden; kleine kinderen die niet meer naar school gaan en gaan werken om een beetje geld te verdienen voor het gezin; mensen die zich geen medische zorgen meer kunnen veroorloven en daarom doktersbezoek uitstellen; musea, archeologische sites en infrastructuur die niet meer worden onderhouden en er verlaten bijliggen wegens gebrek aan middelen; een stijgend aantal zelfmoorden en psychische stoornissen…

 

Twee. Om de banken te redden, duwden ze de staten de crisis in.

In navolging van de Amerikaanse neoliberale politiek schoven ook de Europese regeringen in de jaren 90 naar rechts, soms aangevoerd door sociaaldemocraten als Blair, Schröder, Kok of Gonzales. Ze liberaliseerden de financiële wetgeving zodat Europese banken mee konden profiteren van de speculatie in afgeleide producten. Toen die rommelmarkten in 2008 instortten, kwam aan het licht dat de Europese banken voor duizend miljard euro toxische producten hadden opgestapeld. En de regeringen die alles hadden geliberaliseerd, liepen zich nu de benen van het lijf om de banken te redden wegens too big too fail. Ze gaven de Europese banken 670 miljard euro directe staatssteun, door nationalisaties, kapitaalverhogingen en het dekken van verliezen op rommelproducten. Ook vandaag nog sluizen landen zoals Ierland en Griekenland honderden miljarden door naar de financiële sector. Niet om het Ierse of Griekse volk te redden, of de Ierse en Griekse staat, maar om de Europese financiers te “redden”.

 

Nemen we de zogenaamde modelleerling Ierland. Dat land zou erin geslaagd zijn zich uit de crisis te werken dankzij de remedies van de Europese Commissie. De balans ziet er heel anders uit. Sinds eind 2010 ontving Ierland voor 67,5 miljard euro leningen. Maar in dezelfde periode schreef het land een totaal bedrag van 89,5 miljard euro over aan de financiële sector. Twee derde daarvan belandde bij de banken die nog schulden vorderden, allemaal buitenlandse schuldeisers. Intussen blijft de sociale en economische situatie van Ierland rampzalig: de Ieren konden op geen enkele manier profiteren van de leningen. Ze gaan gebukt onder de bezuinigingspolitiek die hun land wordt opgedrongen om al die onredelijke schulden te betalen.

 

De Europese landen staken zich in de schulden om hun banken te redden en zitten nu in een dubbele catch 22 situatie. Zij die de meeste middelen nodig hebben om hun economie te stimuleren, zitten met de hoogste schuldgraad en hebben het minst manoeuvreerruimte. De Europese Unie dwingt hen tot de grootste inleveringsoperaties, waardoor koopkracht en staatsinkomsten dalen.

De banken? Die gaan intussen zo goed als vrijuit. Ja, de nieuwe regels van Bazel III verhoogden de kapitaalvereisten, maar om echt veilig te werken zouden die dubbel zo hoog moeten zijn. Om een herhaling van de bankencrash te verhinderen werd de Bankenunie opgezet: hét Europese pronkstuk. Zesduizend Europese banken kwamen onder toezicht van de Europese Centrale Bank en er kwam een “afwikkelingsprocedure” voor banken in moeilijkheden, waarbij de staten niet meer zouden moeten inspringen. Maar dat is meer dan twijfelachtig want een volledige splitsing tussen gewone spaarbanken en de handelsbanken die financiële operaties doen, komt er niet. Noch de commissie Liikanen, noch commissaris Barnier hebben deze minimummaatregel, die na de bankencrash van de jaren 30 werd opgelegd, weerhouden. Wat voorligt, lijkt op de Belgische bankhervorming en die is zwakker dan de Britse en de Amerikaanse.

 

Drie. De Europese Unie organiseert de concurrentie tussen de werknemers van de landen van de Unie.

De Europese Unie is gebouwd op vier grote vrijheden: de vrijheid van circulatie van kapitalen, goederen, diensten en personen. Dat is al in het Verdrag van Rome (1957) gebeiteld. Stap na stap ijvert de EU om die vrijheden van de markt te stellen boven de fundamentele rechten en de sociale bescherming.

 

Dat is ook zo met de richtlijn over detachering uit 1996. Die richtlijn bepaalt dat werkkrachten die tijdelijk werken uitvoeren in een ander land van de Unie, weliswaar het daar geldende minimumloon moeten ontvangen en ook onder de plaatselijke cao’s vallen wat betreft arbeidsduur, arbeidsrust, vakantiedagen, veiligheid en uitzendarbeid, maar niét onder de loon-cao’s. Dat is een vrijbrief voor legale sociale dumping. Ondernemers uit Oost-Europa kunnen ongehinderd hun competitieve arbeidskrachten uitsturen en de plaatselijke arbeidsmarkt ondergraven. Malafide ondernemingen kunnen profiteren van het gebrek aan controle om brievenbusbedrijven op te zetten in Oost-Europese landen en van daaruit valse detacheringen organiseren, met arbeidskrachten zonder veel sociale zekerheid en die werken aan een minimumloon.

Die sociale dumping heeft bovendien de goedkeuring gekregen van het Europees Hof van Justitie in enkele geruchtmakende uitspraken (de zaken Viking en ­Laval). In het Laval-arrest (2008) werd een staking van de Zweedse vakbond tegen de dumping onwettig verklaard. Het Hof veroordeelde ook het Groothertogdom Luxemburg omdat het de cao-lonen en de indexering als minimum oplegde voor gedetacheerde arbeidskrachten.

 

De low-cost werknemer wordt de moderne slaaf. Op die manier worden in de landen die gedetacheerde arbeidskrachten tewerkstellen, ook de loon- en arbeidsvoorwaarden naar beneden getrokken. Dat fenomeen bedreigt het hele systeem van sociale bescherming. Op een paar jaar tijd is het aantal gedetacheerde personen al opgelopen tot 1,5 miljoen.

De Handhavingsrichtlijn die binnenkort aan het Europees Parlement wordt voorgelegd, is alleen een bevestiging, met verscherpte toepassing en sancties, van de Detacheringsrichtlijn uit 1996. (De enige vooruitgang in de nieuwe richtlijn is de onvoorwaardelijke erkenning van het stakingsrecht.)

 

Vier. De openbare dienstverlening en de sociale zorg worden bedreigd door privatisering en commercialisering.

Sinds twintig jaar beukt de Europese Unie met de sloophamer op het publieke karakter van bedrijven die een cruciale rol spelen in de sociale dienstverlening. Ze doet dat niet door openbare bedrijven frontaal te verbieden, maar door ze te verplichten zich te onderwerpen aan de regels van de vrije markt. Zo moet de sociale logica wijken voor de marktlogica, zodat de rendabelste stukken van deze openbare bedrijven rijp worden gemaakt voor privatisering.

Dat was zo voor de telecombedrijven, de openbare banken, de spoorwegen en de post. Stap voor stap en volgens plan werden ze onderworpen aan de marktdictaten van het Europees Verdrag: verbod op staatssubsidies, verbod op staatsmonopolies, verbod op gekruiste subsidies (de overdracht, binnen dezelfde onderneming, van winst uit rendabele afdelingen om verlies in andere afdelingen te dekken). Overal zijn de gevolgen rampzalig op het vlak van tewerkstelling, arbeidsomstandigheden, bedrijfsrelaties, prijzen en service aan het publiek.

 

Laten we het voorbeeld van de post nemen. Sinds 2013 is de sector volledig geliberaliseerd na vijftien jaar Europese directieven. Een privébedrijf mag zich op elke sector van de postmarkt gooien. Privépartners zijn binnengetreden in de openbare postmaatschappijen. Gewezen nationale maatschappijen zoals de Duitse en de Nederlandse Post gaan buiten hun grenzen de concurrentie aan met andere maatschappijen. De tewerkstelling daalde met 20 tot 40%, postbodes worden vervangen door zelfstandige postbezorgers die voor enkele uren per dag en tegen een armoedeloon aan de slag gaan. De werklast voor de overblijvende postbodes is zwaar, met langere routes en grote tijdsdruk, ten koste van de dienstverlening en het sociaal contact.

 

Nu wil de Europese Unie ook de sociale openbare sectoren inpalmen voor commercialisering en privatisering. Het debat laaide in 2006 al eens op toen commissaris Bolkestein zijn richtlijn over de vrije circulatie van diensten uit de kast haalde. Het verzet van de vakbonden wist toen “de niet-economische diensten van algemeen belang” uit de richtlijn te halen: de gezondheidszorg, de ouderenzorg, de sociale voorzorg, de kinderoppas... Maar door de afbraak van de sociale zekerheid en de besparingen op de publieke diensten, en door het “vergrijzingsspook” zien privébedrijven grote kansen om een gigantische nieuwe markt te veroveren.

De privatisering van ziekenhuizen en de commercialisering van de geneeskundige diensten staan in heel de Europese Unie op de agenda. De landen van oostelijk Europa, waar de sociale bescherming tot een minimum is herleid, gaan daarbij voorop. In de landen van zuidelijk Europa staan die privatisering en commercialisering steevast op het register van de trojka, zoals ze in de jaren 90 tot de vaste dictaten behoorden van het IMF in Afrika en Latijns-Amerika.

 

Ziekenzorg wordt een wingebied voor multinationale ondernemingen zoals het Duitse Frenesius, dat in september 2013 43 hospitalen kocht van de maatschappij Rhön-Klinikum AG en Europees leider werd van de commerciële hospitalen, met 175.000 werknemers.

Even gretig storten internationale bedrijven zich op “het grijze goud”: de ouderenzorg en de rusthuizen. In juli 2013 kocht de Franse groep Medica, eigenaar van 220 rusthuizen en zorgcentra, de grootste Belgische speler op de markt: de Senior Living Group, eigenaar van 47 instellingen. In november 2013 fusioneerde Medica met de nog grotere Franse groep Korian om samen de Europese leider in ouderenzorg te worden met 600 rust- en verzorgingscentra. Volgens de twee CEO’s is het vooral de bedoeling zwaarder te wegen op de Beurs en investeerders aan te trekken. Of de senioren daar beter bij varen, is een andere vraag.

 

De Europese Unie doet er alles aan om de sociale dienstverlening open te trekken als een concurrentiële, grensoverschrijdende markt. Daarbij verschijnen ook alle fenomenen van de marktlogica aan de oppervlakte: het verdwijnen van de universele verzekering, een gezondheidszorg op twee snelheden, een selectie van de patiënten volgens risicofactor, woekerprijzen enzovoort.

 

De nieuwe richtlijn voor openbare aanbestedingen, die op 14 januari 2014 werd goedgekeurd, opent nieuwe mogelijkheden voor deelname van privébedrijven bij openbare werken, voor uitbesteding en voor publiek-private samenwerking, ook in de sociale sector.

 

Vijf. Je kan het klimaat niet redden met een CO2-markt.

De Europese Unie was de eerste om positief te reageren op de ambities van het Kyoto-protocol om de CO2-uitstoot in de geïndustrialiseerde landen te verminderen. In dat protocol verbonden de industrielanden zich de uitstoot van broeikasgassen in de periode 2008-2012 met 5% te verminderen ten opzichte van het niveau in 1990. De Europese Unie vatte de koe bij de horens en koos, trouw aan haar basisbeginselen, voor een marktmechanisme om de CO2-uitstoot onder controle te krijgen. De eerste koolstofmarkt werd opgezet: het Emission Trading Scheme. 11.000 ondernemingen en energie-installaties, die verantwoordelijk zijn voor 50% van de CO2-uitstoot in de EU, kregen gratis uitstootrechten (quota) volgens een nationaal verdeelsysteem. Wie méér uitstoot, moet quota kopen op de koolstofmarkt, die bevoorraad wordt door bedrijven die overschot hebben. In theorie zou dat de bedrijven moeten aanzetten minder fossiele energiebronnen te gebruiken en zuiniger met energie om te gaan. Maar elk bedrijf maakt de afweging wat het minste kost: investeren in energiezuinige productiemethodes of uitstootrechten kopen. Zo worden de bescherming van de planeet en de redding van het klimaat afhankelijk gemaakt van een beursspel. De prijs van de uitstootrechten op de markt bepaalt dan of bedrijven het klimaatprobleem au sérieux nemen. In dit systeem staat de winstlogica centraal, niet de toekomst van de planeet en van de mensheid.

 

Toen in 2008 het startschot werd gegeven voor de CO2-markt – er was een proefperiode vooraf – stortte die andere beurs in elkaar: die van de financiële rommelproducten. De economische recessie in de industrielanden, die daarop volgde, zorgde voor een groot overschot van uitstootrechten. Gevolg: in plaats van een dwang die de bedrijven verplicht hun uitstoot te saneren, wordt de koolstofmarkt voor de grootste vervuilers een winstgevende zaak, want zij beschikken over de grootste overschotten. ArcelorMittal bijvoorbeeld heeft in België voor 90 miljoen ton uitstootrechten gekregen in 2008 maar gebruikt maar 68 miljoen ton. Een lucratief hapje wanneer de prijs van een uitstootrecht op een bepaald ogenblik nog op 30 euro per ton staat. Dan kan het stilleggen van installaties een winstgevende bezigheid worden. Tussen 2005 en 2012 heeft ArcelorMittal 156 miljoen ton CO2 “gespaard” door het voorlopig sluiten van installaties in Europa, en kon dat verzilveren voor 1,1 miljard euro.

Van 2013 tot 2020 loopt de derde fase van het Emission Trading Scheme. De Europese Unie heeft in haar Strategie 2020 ingeschreven dat er 20% minder uitstoot zal zijn dan in 1990, dat 20% van de energie uit duurzame bronnen zal geleverd worden en dat er 20% meer energie-efficiëntie of besparing zal zijn. Om die doelstelling te halen zou de marktprijs van CO2 tot boven 100 euro per ton moeten stijgen, maar op dit ogenblik staat die prijs op het laagste punt: op minder dan 5 euro. Het toont dat het met de markt als leidraad en kader onmogelijk is een geplande overschakeling te realiseren naar een duurzame economie en naar hernieuwbare energiebronnen.

 

Zes. De euro, een munt die is gegoten in het nikkel van de concurrentie.

De euro is helemaal niet gecreëerd met het oog op een harmonieuze samenwerking tussen de landen, om de landbouw en industrie van de lidstaten en de regio’s te bevorderen, stabiele arbeidsplaatsen te creëren, de ecologische uitdagingen aan te pakken of een moderne collectieve dienstverlening uit te bouwen. Van in de kiem was de munteenheid bestemd om de grote monopolies sterker te maken in de concurrentiestrijd met de VS en Japan. De wisselrisico’s zouden uitgeschakeld worden, de transactiekosten zouden verminderen, de Europese markt zou groter en stabieler worden.

Dat leek te lukken tot in 2008 de economische stormen het grote verschil in ontwikkeling en economische sterkte van de Europese economieën blootlegden. In zo’n geval kan een monetaire unie alleen standhouden als er solidariteitstransfers bestaan tussen rijkere landen en regio’s naar armere, of als een ijzeren hand regeert over het geheel. Omdat het winstbejag van de grote internationale ondernemingen de drijvende kracht is van de Europese constructie, is de tweede keuze gemaakt, die van de ijzeren hand.

 

Het vasthouden aan de muntunie is een wapen geworden om “orde op zaken te stellen”. De Duitse kanselier Angela Merkel formuleert de wens van BusinessEurope, van de Ronde Tafel van Industriëlen, van de CEO’s van de grote Europese multinationals als ze zegt: “Indien Europa geen orde op zaken stelt in haar begrotingen en haar concurrentiepositie niet kan versterken, zal ze geen rol van betekenis meer spelen op wereldniveau en stapje voor stapje moeten wijken.” De belagers komen vandaag niet alleen meer uit de VS en Japan, maar ook uit de groeilanden en vooral uit China.

Het is de reden waarom de dreiging van het uiteenspatten van de eurozone met vereende krachten is afgeslagen door de Europese Centrale Bank (ECB), de Europese Commissie en de Europese Raad, onder aanvoering van Duitsland als sterkste natie. Om de speculatie tegen de zwakke landen te bedwingen heeft de ECB zijn monetaristische dogma’s moeten opbergen en de bazooka van de geldschepping bovengehaald. Om de geforceerde monetaire eenheid te bewaren dirigeert de trojka (van ECB, Europese Commissie en IMF) strakke besparings- en inleveringsmemoranda in Griekenland, Ierland, Portugal, Spanje en Cyprus. Om bij de kring van de ‘winners’ te geraken moeten die landen de lonen en uitkeringen verlagen, de sociale rechten afbouwen, de openbare diensten privatiseren en de zwakste industrieën wegsnijden. In de Unie van de winners is er geen plaats voor solidariteit en steun, want dat verzwakt alleen de bereidwilligheid om te saneren en de bevolking te laten bloeden.

 

Daarom zijn alle landen aangevreten door datzelfde anticrisisprogramma van besparingen en sociale achteruitgang. Op economisch vlak veranderen die programma’s al snel in een remedie die erger is dan de kwaal. Om de ziekte te behandelen wordt de patiënt gedood. De economische activiteit valt stil, de belastingontvangsten dalen, men belandt in een neerwaartse spiraal. Het is een van de belangrijkste redenen voor het aanslepen van de economische crisis in Europa.

“Absurd” denkt een mens dan, maar vanuit het standpunt van de multinationals is het logisch. Zij willen de grote buitenlandse markten veroveren, vooral in de groeilanden. De binnenlandse vraag is niet meer hun grootste zorg. Het loon wordt in hoofdzaak gezien als een kost die absoluut naar omlaag moet. En daarvoor dienen de besparingsplannen. Om die logica te blijven opdringen, heb je een ijzeren discipline nodig.

 

Zeven. De staatsgreep van de Europese Unie.

Crisissen zijn uitgelezen momenten om zaken te forceren. De Europese Raad en de Europese Commissie hebben geprofiteerd van de stofwolken die de crisis deed opwaaien om te doen wat ze bij volle daglicht nooit hadden kunnen doen. Ze plaatsten in heel Europa het sociaal en economisch beleid onder curatele van “experts”, rechtstreeks afkomstig uit de grote financiële en economische groepen. Ze eigenden zichzelf bevoegdheden toe die door geen enkele democratische controle of beslissing zijn goedgekeurd en die ver ingrijpen op de soevereine beslissingsmacht van de nationale staten.

De voorstanders van een radicale versterking van de Europese bevoegdheden maakten van de gelegenheid gebruik om met reuzenschreden voort te razen in de richting van een Europese politieke en economische regering. De redding van de euro en van de eurozone was het doorslaggevende argument om nieuwe bevoegdheden erdoor te sluizen.

 

Op de achtergrond hebben ze de steun van de machtige patronale groepen die sinds de jaren 80 de dynamiek van de eenmaking uittekenden en de filosofie van de Europese Verdragen bepalen. Al telt bijvoorbeeld de Europese Ronde tafel van Industriëlen (ERT) amper 50 leden, die 50 vertegenwoordigen een zakencijfer van duizend miljard euro met een tewerkstelling van 6,6 miljoen werknemers. Zij dicteerden in de jaren 80 het project van de eenheidsmarkt 1992. Zij bepleitten de eenheidsmunt met de strenge convergentiecriteria, de “Maastrichtnormen”. Begin 2002 zetten zij de bakens uit voor de volgende fase: het “economisch bestuur”, een streng gecentraliseerd gezag dat de hele economische politiek zou sturen. Wat in normale periodes veel tijd en moeite zou vragen kregen de patronale kringen er nu gemakkelijk door. Er kwam een dwangbuis voor de jaarlijkse nationale begrotingen en economische plannen van de lidstaten: het Europees semester waarin de Europese instellingen de bezuinigings- en hervormingsplannen van de lidstaten beoordelen en stroomlijnen.

Dat “economisch bestuur” spreekt zich uit over drie pijlers:

1. Een dwingend Begrotingspact (ook Fiscaal pact genoemd). De “oriënterende” normen voor het begrotingstekort (3% bbp) en voor de staatsschuld (60% bbp) werden omgezet in strakkere, dwingende normen. Elk land moet het structureel begrotingstekort op middellange termijn beneden 0,5% van het bbp brengen. Het grote principe is de “gulden regel”: “Ofwel is de begrotingssituatie van de openbare besturen (staat, lagere overheden, socialezekerheidsfondsen…) in evenwicht, ofwel vertoont ze een overschot.”

Als de overheidsschuld van een lidstaat boven 60% van het bbp uitstijgt, moet de regering zich ertoe verbinden dat teveel weg te werken aan een ritme van een twintigste per jaar. De Belgische schuld bereikt 100% van het bbp en bedraagt momenteel 365 miljard. De verlaging van die schuld met 5% per jaar komt, gezien de stagnatie van het bbp, voor België neer op het verlagen van de overheidsschuld met meer dan 20 miljard in de drie volgende jaren.

2. Met het Europlus-pact breidde de Europese Commissie haar actieterrein uit tot de globale economische evenwichten in de eurolanden. Daarmee krijgt ze zeggingsrecht over strikt nationale materies zoals de sociale politiek: de pensioenen, de vermindering van het aantal ambtenaren en van de uitkeringen, de indexering van de lonen... Als een lidstaat de regels niet respecteert, moet dat land aan de Commissie en aan de Raad een programma voorleggen van dwingende structurele hervormingen. In Griekenland, Ierland en Spanje gingen die “structurele hervormingen” de voorbije maanden over: loonsverlaging voor de ambtenaren, daling van de pensioenen, daling van de werkloosheidsuitkeringen, daling van het minimumloon, deregulering van arbeidscontracten en toelating voor arbeidsovereenkomsten op het niveau van de onderneming die afwijken van de collectieve arbeidsovereenkomsten en het arbeidsrecht.

3. In haar Strategie 2020 (de opvolgster van de Lissabon 2010 strategie) heeft de Europese Commissie een reeks streefnormen opgesteld wat betreft tewerkstellingsgraad, wetenschappelijk onderzoek, armoede… De regeringen moeten precies aangeven welke structurele hervormingen ze zullen doorvoeren, bijvoorbeeld wat ze van plan zijn om de tewerkstellingsgraad te verhogen. Daarbij mogen ze “vrij” kiezen tussen langer werken, de pensioenleeftijd verhogen, meer flexibiliteit, meer deeltijds werk en interimarbeid, de statuten afschaffen, de sociale bijdragen verlagen, de ontslagbescherming inperken of de werkloosheidsuitkeringen beperken.

 

Om de dictaten van de eerste en tweede pijler (Begrotingspact en Europlus-pact) afdwingbaar te maken is een juridisch arsenaal opgesteld, de “sixpack”, met strafbepalingen voor overtreders. Vanaf 2014 kan een land een boete krijgen van 0,2% van het bbp als die doelstellingen niet worden nageleefd. Voor België zou dat neerkomen op ongeveer 700 miljoen euro. Het geheel is netjes in het “Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie”, afgekort het VSCB, gegoten. Dat verdrag werd in maart 2012 ondertekend door 25 staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie. Ook de Belgische parlementen, met inbegrip van de socialistische volksvertegenwoordigers en de groenen, hebben het in december 2013 op de valreep geratificeerd.

 

Nu het VSCB is goedgekeurd, heeft Angela Merkel een nieuw dwanginstrument op het oog: de hervormingscontracten. Die kwamen ter sprake op de top van december 2013 maar de regeringsleiders willen er maar van horen na de verkiezingen van 25 mei 2014, uit schrik voor averij.

Ziehier wat weer wordt opgenomen in juni 2014 om tot besluiten te komen op de top van oktober 2014: zoals het IMF kredieten geeft aan landen in het Zuiden, mits zware offers welteverstaan, wil de kanselier goedkope leningen geven aan landen die een contract sluiten om hun arbeidsmarkt, hun pensioenen, hun ambtenarij te hervormen. Merkel wil zo twee leemtes vullen in het dwangarsenaal van de Europese Unie. Ze vindt dat er een te grote ruimte is voordat de goedgekeurde normen ook leiden tot sancties tegen overtreders. Ze vindt dat er ook een te grote ruimte is tussen de landen die onder toezicht staan van de trojka en de andere landen van de eurozone. Vandaar de idee van de hervormingscontracten. Die moeten er komen “alvorens het telkens te laat is”. Als lokmiddel zijn er dan goedkope leningen voor de landen die zich met zo’n hervormingscontract laten kastijden. Vanwaar die leningen moeten komen, moet nog uitgeklaard, na de verkiezingen van mei 2014.

 

Acht. Winterweer voor de democratie in Europa.

Een Commissie met een enorme macht, maar die toch is onderworpen aan de machtigste staten, Duitsland op kop; een Raad van ministers die uiteindelijk de beslissingsmacht heeft; een Europees Parlement dat niet veel te zeggen heeft en dat niet de mogelijkheid heeft wetgevend initiatief te nemen; en een Hof van Justitie dat de wetten en Europese Richtlijnen interpreteert in het voordeel van de werkgevers.

Sinds de crisis staan de begrotingen van alle landen uit de eurozone onder curatele van een “economische regering” die gerechtigd is te bepalen wat goed is en wat niet voor de 300 miljoen inwoners van de eurozone. Maar van een “regering” spreken, dat is wel een groot woord, want de leden van de Europese Commissie zijn niet gekozen. Nationale regeringen en parlementen hebben een bijna protocollaire taak. De premiers van Ierland, Griekenland en Italië werden afgezet en vervangen door niet-gekozen technocraten – afkomstig uit de grootbanken en de Europese instellingen – om hun bevolking offers op te leggen, zonder werkelijke democratische goedkeuring. De Europese Unie weigerde de Grieken een referendum over het zoveelste besparingsplan.

De Europese Richtlijn van 2006 betreffende de bewaring van gegevens moet volledig worden herzien. In Duitsland, Roemenië, Cyprus en Tsjechië heeft het Grondwettelijk Hof deze wet ongrondwettelijk verklaard, met “buitengewoon ernstige gevolgen voor de rechten van de burgers en met een ongeziene draagwijdte”. Het Hof sprak van “een ongeoorloofde inmenging in het sociale leven en in de privéactiviteiten van burgers”, die kan uitlopen op “persoonlijkheidsprofielen en gedetailleerde profielen van de verplaatsingen van praktisch alle burgers”.

 

Negen. Een onmenselijk, exclusief Europees migratiebeleid.

De Europese wetgevingen over de migratie kwamen tot stand in de context van de competitiviteitsstrategie van de Europese Unie. Een richtlijn voor een Europese “blauwe kaart” moet Europa aantrekkelijker maken voor hoog opgeleid personeel. Houders van zo’n blauwe kaart genieten dezelfde behandeling als nationale onderdanen. Voor de Europese Unie zijn er alleen maar voordelen verbonden aan dit systeem terwijl het voor de landen van herkomst, die in de meeste gevallen de opleiding van dat personeel hebben gefinancierd, puur verlies is.

De Unie moedigt de migratie van buitenlandse werknemers aan voor die sectoren waarvoor een tekort aan werknemers bestaat. Op die manier vermijdt men dat Europese werkgevers de lonen moeten verhogen in de sectoren met personeelsschaarste, dikwijls als gevolg van de werkomstandigheden.

Voor de anderen, voor hen die niet hoog opgeleid zijn, blijven beslissingen over de duur en voorwaarden voor een vergunning uitsluitend de bevoegdheid van de lidstaten. Dat beleid vergemakkelijkt de komst van migrantenwerknemers die in een afhankelijkheidsrelatie staan tegenover hun werkgever want het statuut maakt de verblijfsvergunning van deze mensen afhankelijk van het werk waarvoor ze deze vergunning hebben gekregen. Als ze hun werk verliezen, verliezen ze ook hun verblijfsrecht.

Dat beleid voor een “exclusieve migratie” weerspiegelt de belangen van de bedrijfswereld. Het schept kwetsbare arbeidskrachten met een onzeker verblijfsrecht en met tijdelijke verblijfsvergunningen, afhankelijk van de goodwill van de werkgever.

 

De creatie van een grondgebied zonder binnengrenzen, de Schengenruimte, had een versterking van de controle aan de buitengrenzen van de Unie tot gevolg. Mensen die een land ontvluchten richting Europese Unie, doen dat bijna altijd illegaal, vooral omdat het niet gemakkelijk is een visum te verkrijgen. De Europese lidstaten verlenen maar zelden een toeristenvisum of een visum op humanitaire gronden aan mensen uit een derdewereldland of uit een land in oorlog, die natuurlijk asiel zouden kunnen aanvragen eenmaal ze in de EU zijn aangekomen.

In 2004 zette de Europese Unie, om Europa te “verdedigen” tegen mensen die de honger ontvluchten, een semiclandestiene militaire organisatie op: Frontex. Frontex voert oorlog tegen clandestiene migranten. Elk jaar sterft een indrukwekkend aantal migranten: verdronken op zee, verdwenen in de Sahara enzovoort. Om aan de controles van Frontex te ontsnappen worden de trajecten en routes die deze mensen afleggen, steeds gevaarlijker. Frontex onderschept de vluchtelingen en zet hen meteen opnieuw de grens over, richting hun land van herkomst, al hebben die landen soms de Conventie van Genève betreffende de status van vluchtelingen niet ondertekend. Frontex maakt ook geen onderscheid tussen volwassenen, minderjarigen of niet-begeleide minderjarigen. De organisatie schendt voortdurend de internationale normen en lapt het recht asiel te vragen aan haar laars: kandidaten worden uitgewezen nog voor ze de kans krijgen een aanvraag in te dienen.

 

Tien. Het Trans-Atlantisch Verdrag (TTIP), dat wordt onderhandeld tussen de VS en de Europese Unie, is een sociaal en ecologisch gevaar.

Achter gesloten deuren onderhandelen de Europese Unie en de Verenigde Staten over een trans-Atlantische marktintegratie die “handels en investeringsbelemmeringen wil wegnemen” ten koste van arbeidsrechten en milieu, compleet met productreguleringen, harmonisatie van standaarden enzovoort.

Bedoeling is elke vorm van “anticoncurrentieel gedrag” uit te schakelen, in het bijzonder van wie overheidsbedrijven of producten van de plaatselijke markt zou bevoordelen. Als dit verdrag erdoor komt zal de Europese Unie de Amerikaanse invoer moeten toelaten van allerlei producten die ze nu als verdacht bestempelt: rundvlees met hormonen, chloorkippen en genetisch gemodificeerde gewassen (ggo’s), die in Europa veel strenger zijn gereglementeerd. Producten die één van de partners van het verdrag als betrouwbaar bestempelt, mogen dan overal verkocht worden: zo wordt Europa overgeleverd aan Amerikaanse keuringsdiensten.

De grote ondernemingen willen met dit akkoord ook de basis leggen voor een strijd tegen wat ze noemen “namaak” en “industriële diefstal”. Ze willen een juridisch kader creëren dat onafhankelijk werkt van de individuele staten, waar ze dan klacht kunnen neerleggen tegen de landen die de “concurrentieregels” niet zouden respecteren.

 

De visie van de PVDA+

De grondslag van de Europese Unie is de vrije concurrentie, de open markt voor kapitalen, personen, goederen en diensten. Dat wordt verdrag na verdrag verder opgelegd, met meer dwangmiddelen, om de concurrentiestrijd aan te gaan met de economische rivalen. In die logica zegeviert de winstjacht en niet een sociale of ecologische prioriteit. De Europese Unie is een wingewest voor financiële en economische internationale bedrijven, zij dicteren de evolutie van het continent. In de Lissabon-2010 strategie stond het kernachtig samengevat: “De meest competitieve economie ter wereld worden.” Maar sinds 2008 is de Europese Unie het grootste zorgenkind ter wereld geworden. Toch wordt niet afgestapt van de vernietigende concurrentielogica, die op weg is een sociaal kerkhof en een verloren generatie te creëren.

 

Sociale vooruitgang, duurzame ontwikkeling, samenwerking en solidariteit.

We willen andere funderingen voor een ander Europa. Sociale vooruitgang, duurzame ontwikkeling, samenwerking en solidariteit moeten de grondslag worden van een Europees project. Zij moeten in de plaats komen van concurrentie en ongelijkheid. We willen een Europees continent waar de systeemsectoren, die nu too big to fail zijn, in handen komen van de maatschappij in haar geheel. Waar de collectieve diensten en de bedrijven gericht zijn op de behoeften van de bevolking. Zo kunnen we de economie afstemmen op de grootste noden en kunnen we de rijkdommen eerlijk verdelen. Als we woeker, parasitair gedrag en speculatie structureel onderuit halen, dan kunnen we de overheidsschuld automatisch tot duurzame proporties herleiden.

We ijveren voor de opheffing van het Verdrag van Lissabon, de Europese grondwet die in 2008 is goedgekeurd en aan geen enkele volksstemming werd onderworpen. We verwerpen de liberale grondslag die de vrijheden van de markt boven de sociale en democratische rechten stelt. De sociale grondrechten en de fundamentele democratische rechten moeten onaantastbaar zijn. Ze kunnen niet onderworpen worden of op één lijn worden gezet met de economische “vrijheden” van de markt.

 

De Europese Unie mag niet het recht hebben lidstaten maatregelen op te dringen van sociale ontmanteling. Ze zou integendeel een opwaartse sociale spiraal op gang moeten brengen door minimumnormen op te leggen, zoals een loon dat minimaal overeenstemt met een percentage van het bbp per inwoner. Boven de minimumnormen moet elke lidstaat het recht hebben hogere normen te hanteren en eigen cao’s en sociale wetgeving te behouden.

Daarom wijzen we de recente bevoegdheidstransfers naar de Europese Unie af. We willen de afschaffing van het Begrotingspact en het Europlus-pact, samengebald in het VSCB. We willen de intrekking van het bindend Europees semester, van de sixpack met zijn sancties en van andere maatregelen die het antidemocratische “economisch bestuur” versterken.

 

Een andere schuldenpolitiek om de crisis van de staten te keren.

Om de schulden, die zwaar wegen op alle landen van Europa, te verminderen, moeten we andere wegen gaan dan de weg van besparen en sociale achteruitgang. Het basisprincipe moet zijn: niet de slachtoffers maar de schuldigen laten betalen. Een diepgaand, transparant en democratisch onderzoek moet duidelijkheid scheppen over de echte oorzaken van de schulden van de Europese landen, en aangeven welk deel de bevolking werkelijk moet terugbetalen.

 

Niet alle schulden zijn per definitie “slecht”. Een regering kan een lening aangaan om een ziekenhuis, een spoorlijn of een school te bouwen.

In de landen van het zuiden van onze planeet dienen schulden niet voor investeringen ten voordele van de bevolking. De schuld is daar een machtig transfermechanisme van rijkdommen: van de meerderheid van de wereldbevolking naar de bezitters van kapitaal. De schulden zijn er een instrument waarmee de schuldeisers hun greep op alle aspecten van het leven versterken. Dreigt dat scenario nu ook voor de Europese landen?

Diepgaand onderzoek moet collectief en democratisch bepalen welke schulden we in vraag kunnen stellen. Het eerste doel is het bedrag en het ritme van de terugbetaling te verminderen. Talrijke juridische teksten zoals het Handvest van de Verenigde Naties, dat de basis vormt van het internationaal recht, bevestigen dat de mensenrechten voorgaan op de rechten van de schuldeisers. “In geval van strijdigheid tussen de verplichtingen van de leden van de Verenigde Naties krachtens dit Handvest en hun verplichtingen krachtens andere internationale overeenkomsten, hebben hun verplichtingen krachtens dit Handvest voorrang.” (artikel 103)

Een regering die er de politieke wil voor heeft, kan dus wettelijk de betaling van haar schuld opschorten, als die betaling impliceert dat fundamentele rechten niet worden gerespecteerd, zoals het recht op onderwijs, op gezondheidszorg, op sociale zekerheid, het recht op een woonst enzovoort.

Voor de meerderheid van de derdewereldlanden maar ook voor Griekenland, Spanje en Portugal, waar elementaire sociale rechten in het geding zijn, is zo’n opschorting perfect te verantwoorden.

Landen als België of Frankrijk zouden kunnen vastleggen dat het bedrag van de terugbetaling een bepaald percentage – bijvoorbeeld 5% – van de staatsinkomsten niet mag overschrijden, in plaats van de zware dwangbuis die het VSCB oplegt.

 

Het tweede doel is de houders van schuldtitels te dwingen tot een belangrijke schuldherschikking. Daarvoor moeten een aantal maatregelen ernstig bestudeerd worden:

– Verlenging van de terugbetaling en samen daarmee verlaging van de terug te betalen som.

– Vermindering van de interesten.

– Kwijtschelding van een deel van de schuld.

We willen bij uitstel, opschorting of annulering van openbare schulden de kleine spaarders beschermen, die hun spaargeld geplaatst hebben in overheidsstukken, alsook de werknemers en gepensioneerden van wie een deel van hun sociale bijdragen door de beheersorganen bij zo’n stukken zijn geplaatst.

 

De openbare diensten en de sociale rechten verdedigen.

Ook in een markteconomie moet de openbare dienstverlening beschermd kunnen worden en moeten openbare bedrijven het recht hebben op subsidies, op monopolie in bepaalde sectoren en op interne “kruissubsidies”. Daarom pleiten we voor de afschaffing van de artikels 101 tot en met 109 in het Verdrag van Lissabon, die de commercialisering en privatisering van de openbare bedrijven opleggen. De sociale en culturele sector moeten gevrijwaard worden van vermarkting en commercialisering.

 

De strijd voor een sociale harmonisering kunnen we maar voeren mits strenge maatregelen tegen de sociale dumping die de Europese Unie nu zelf organiseert. Er is maar één regel voor werknemers in detachering: voor gelijk werk, gelijk loon en gelijke sociale bescherming. We willen de Europese Detacheringsrichtlijn in die zin herzien, zodat de cao-lonen en werkvoorwaarden in het ontvangstland integraal gerespecteerd worden. De fundamentele rechten van de werknemers mogen niet geschaad worden door het vrij verkeer van personen.

Contracten van onbepaalde duur dienen de basis te vormen van het tewerkstellingsbeleid, met respect voor de hogere lonen in het ontvangstland en met overal minimumlonen die minstens 60% bedragen van het mediaan inkomen. Met garanties dat iedereen in eenzelfde onderneming of op eenzelfde bedrijfssite hetzelfde loon krijgt voor dezelfde arbeidsplaats met dezelfde taken.

We willen een tewerkstellingsbeleid dat de arbeidsomstandigheden verbetert door de werkstress aan te pakken; dat de nationale regels van de sociale zekerheid respecteert en dat verder ook stimuleert dat landen elkaars kwaliteit en prestaties vergelijken (benchmarking organiseren) in functie van de meest voordelige voorzieningen voor loon- en uitkeringstrekkers.

 

Het klimaat en milieu beschermen.

De energie van de gemiddelde Europese burger wordt voor 77% geleverd door olie, gas en kolen. Kernenergie levert 14% en de overblijvende 9% komt van hernieuwbare energiebronnen. Er is een ommezwaai nodig qua investeringen, besparingen en energie-efficiëntie om de koolstofuitstoot tegen 2050 met 95% te verminderen, zoals de IPCC-experten als streefcijfer voor de industrielanden vooropstellen. Het uitstootplafond dat de EU hanteert in Strategie 2020 is onvoldoende, willen we de opwarming van het klimaat binnen 2°C houden.

Het gehanteerde marktmechanisme van het Emission Trading Scheme is contraproductief. De afschaffing van dit ETS-systeem kan de weg openen voor een directief normensysteem dat bindende beperkingen oplegt. De Europese koolstofmarkt mag niet als model dienen voor de commercialisering en vermarkting van de natuur in de landen van het Zuiden.

 

Tegen de autoritaire interventies, opkomen voor democratische rechten.

De wetgevende macht zou exclusief bij het Europees Parlement moeten liggen, dat meer bevoegdheden moet krijgen. De nationale parlementen moeten meer geïnterpelleerd worden over Europese kwesties vooraleer het Europese niveau enige beslissing neemt.

We ijveren ervoor een tegenmacht op te bouwen, van de burgers en vooral van de vakbonden.

We komen op tegen de autoritaire interventies en tegen het verstrengen van allerlei opgedrongen voorwaarden. We ijveren voor democratische maatregelen: in elk land een volksreferendum over het Verdrag van Lissabon en referendums over de essentiële beslissingen betreffende de werking van de Europese Unie.

 

Het fundamentele recht op een privéleven en op persoonlijke vrijheid moet onschendbaar zijn voor elke burger die niet onderworpen is aan een gerechtelijke procedure. Telefoontap en het afluisteren van communicatie zouden alleen toegelaten mogen zijn wanneer ze behoorlijk zijn geargumenteerd en officieel worden vastgesteld in het kader van een gerechtelijke procedure. De antiterrorismewetten moeten weg.

 

Dat migrantenwerknemers in zo’n positie worden geplaatst dat ze geneigd zijn om het even welke arbeids- en loonvoorwaarden te aanvaarden, schaadt alle werknemers. Om de afhankelijke positie van de migrantenwerknemer ten aanzien van zijn werkgever in de tijd te beperken, koppelen we het verblijfsrecht los van het werk: we geven na een zekere periode van verblijf een verblijfsrecht voor onbepaalde duur.

We waken over een correcte definitie van het begrip “personeelsschaarste”, zodat het voor werkgevers geen voorwendsel wordt om buitenlandse arbeidskrachten aan te werven die aanvaarden te werken aan slechte omstandigheden, om op die manier te vermijden dat ze die werkomstandigheden moeten verbeteren.

 

De reglementering op sociaal vlak voor de migrantenwerknemers binnen de Europese Unie moet beter. We strijden tegen de uitbuiting van legale migranten, maar ook van illegale migranten.

Het Europese beleid gebruikt de migratie als instrument voor competitiviteit. Daarom weigert de Unie het lot te regelen van de duizenden mensen zonder papieren die niet liever vragen dan legaal te kunnen werken. Als we iedereen zouden regulariseren die sinds een lange periode in het land vertoeft en werkt, zouden zowel de migrantenwerknemers als de hele groep van werknemers minder onderhevig zijn aan patronale chantage.

Het is belangrijk voor de sociale bescherming van de migrantenwerknemers dat ze, of ze nu al dan niet legaal zijn, bij een vakbond zijn aangesloten.

 

Geografisch zijn Griekenland en Italië toegangspoorten tot de Europese Unie. De omstandigheden voor de opvang zijn er verschrikkelijk slecht. Het moet afgelopen zijn met de hypocrisie die het hele gewicht van de Europese immigratie op de rug van deze landen schuift. Geen enkel land heeft de capaciteit om alleen heel de miserie van de wereld te torsen, maar dat wordt anders voor de Europese Unie in haar geheel. Europa heeft een verantwoordelijkheid voor de situatie van wie “illegaal” willen binnenkomen: het heeft deze gebieden gekoloniseerd, het heeft er niet gezorgd voor industriële ontwikkeling, het heeft de nieuwe “vrije” staten aan hun lot overgelaten, het zorgde er alleen voor dat de eigen ondernemingen er handel konden blijven drijven en de plaatselijke grondstoffen konden blijven plunderen.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Sociale vooruitgang, duurzame ontwikkeling, samenwerking en solidariteit moeten de grondslag worden van een Europees project. Ze moeten in de plaats komen van concurrentie en ongelijkheid. Daarom willen we het Verdrag van Lissabon opheffen. Het is totaal ondemocratisch opgelegd in 2008, als vorm van liberale Europese grondwet.

 

2. De fundamentele democratische vrijheden en sociale grondrechten staan boven de vier liberale marktbeginselen (vrijheid van circulatie van kapitalen, goederen, diensten en personen). We ijveren ervoor dat de Europese Unie geen sociale achteruitgang kan opleggen, maar alleen een nivellering naar boven, en wel door minimumnormen vast te leggen. Elk land heeft de vrijheid om boven die minimumnormen betere normen te hanteren.

 

3. Het Europlus-pact, de sixpack, het Verdrag voor Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur (VSCB) en andere maatregelen die het autoritaire “economisch bestuur” versterken, moeten weg, alsook de criteria die aan de basis liggen van de strenge begrotingspolitiek, opgelegd door de Europese Unie in het kader van haar regels voor groei en stabiliteit of in het kader van het VSCB (met de “gulden regel”).

Ook de geplande hervormingscontracten moeten weg.

 

4. We willen een democratisch onderzoek van de schulden van de Europese lidstaten. We willen het bedrag en het ritme van hun terugbetaling verminderen en de interesten erop afbouwen. We willen de kwijtschelding van alle onwettige schulden van derdewereldlanden en van de landen van zuidelijk Europa.

 

5. We willen een taks op internationale financiële transacties. Op alle transacties, ook op derivaten en wisseloperaties.

 

6. Om de speculatie in te binden pleiten we voor een driedubbel verbod op Europese vlak:

– verbod op hedgefunds en speculatiefondsen,

– verbod op afgeleide en gestructureerde financiële producten (derivaten),

– verbod op kortetermijnspeculatie en short selling.

 

7. Herziening van de Europese verdragen zodat overheidsbedrijven niet langer onderworpen blijven aan de regels voor de concurrentie, maar het statuut krijgen van openbare dienst. Op de eerste plaats willen we de artikels 101 tot 109 van het Verdrag van Lissabon wijzigen zodat er waarborgen komen voor het statuut van “openbaar bedrijf”, met het recht op subsidies, op kruissubsidies en een monopolierecht.

 

8. De sector van de sociale dienstverlening en de culture sector moeten beschermd worden tegen commercialisering, privatisering en vermarkting.

 

9. Herziening van de Detacheringsrichtlijn en van de aangekondigde Handhavingsrichtlijn. Voor detachering mag maar één regel gelden: voor gelijk werk, gelijk loon en gelijke sociale bescherming.

 

10. Minimumloon overal op een niveau van minimaal 60% van het mediaal inkomen. Stelselmatig optrekken van de criteria naar vaste en menswaardige werkplaatsen in de hele Europese Unie.

 

11.Opheffing van de koolstofmarkt (Emission Trading Scheme). Vervanging door dwingende uitstootnormen met boetes voor overtreders.

 

12. De nationale parlementen moeten over de Europese kwesties geïnterpelleerd worden, voorafgaand aan elke beslissing op Europees niveau. We ijveren voor volksreferendums over het Verdrag van Lissabon, het VSCB en over alle belangrijke beslissingen in verband met de werking van de Europese Unie.

 

13. Het grondrecht op een privéleven en op persoonlijke vrijheid moet onschendbaar zijn voor elke burger die niet onderworpen is aan een gerechtelijke procedure. De antiterrorismewetten moeten weg.

 

14. Onmiddellijke stopzetting van de onderhandelingen over het Trans-Atlantisch Verdrag (TTIP).

 

15. Buitenlandse werknemers geven we na een zekere periode een verblijfsrecht van onbepaalde duur. We regulariseren mensen zonder papieren die al een lange periode in het land vertoeven en werken.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014