#GoLeft7: Bankenmacht aan banden

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

Vraag: “Crisis. Wie moet de rekening betalen?”
Antwoord van 46% van de ondervraagden: “De multinationals en grote banken. Zij betalen nu geen of nauwelijks belasting op hun winsten omdat de regering dat toelaat (bv. notionele interest).”

 

Vaststellingen

Eén. De winsten privatiseren en de verliezen socialiseren.

Toen in september 2008 Lehman Brothers als eerste dominosteen viel, dreigde door de verstrengeling van de banken het hele kaartenhuisje in te storten. Veel banken zaten in diepe schulden. Ze over kop laten gaan was geen optie: het spaargeld zou weg zijn en bedrijven zouden massaal failliet gaan. De banken waren “too big to fail”.

De staten staken reusachtige bedragen staatssteun in de financiële sector en verleenden gigantische waarborgen voor insolvabele banken. Ze deden zelfs toezeggingen voor bijkomende toekomstige verliezen. De lage intrestvoeten van de ECB (de Europese Centrale Bank) en de FED (de Amerikaanse Centrale Bank) zorgden voor goedkoop krediet en voor heel lage opbrengsten voor de spaarboekjes. Door het roekeloze beleid van privébankiers moest de overheid ook de depositogarantie optrekken en de garantie uitbreiden naar andere spaarvormen.

Het is onaanvaardbaar dat banken grote risico’s nemen in de wetenschap dat de gemeenschap moet opdraaien voor mogelijke verliezen. Het is ook niet aanvaardbaar dat winsten van speculatief gedrag naar aandeelhouders gaan.

Bankiers weigerden de bonuscultuur – hoe meer rendement, hoe hoger de bonus – af te zweren of minstens bij te sturen. Bestuurders van banken bleven zichzelf zo belonen, ook na het debacle, voor onverantwoord speculatief gedrag.

Kapitaalkrachtige groepen en individuen plukken zo de vruchten van riskante financiële operaties. Samengevat: de winsten worden geprivatiseerd, maar de verliezen gesocialiseerd. De gemeenschap betaalt de rekening en draait op voor de directe en indirecte gevolgen:

– de overheid verhoogde de waarborg op deposito’s van 20.000 naar 100.000 euro;

– de overheid zorgde ervoor dat de intrestvoet waaraan de banken kapitaal kunnen ontlenen, kunstmatig laag gehouden werd;

– de overheid verstrekte waarborgen op leningen op de interbankenmarkt;

– de overheid gaf de banken financiële steun (zie vaststelling 2);

– Fortis werd voor weinig geld van de hand gedaan en Dexia Bank Belgium (nu Belfius) werd weggekocht uit de Dexiagroep.

 

Twee. Al het geld voor de redding en de waarborgen van de banken brengt de staatskas nog tientallen jaren in gevaar.

Op het eind van de jaren negentig verkocht de regering-Dehaene, met Elio Di Rupo als minister van Economie, de ASLK en het Gemeentekrediet aan de privé. De nieuwe private banken Fortis en Dexia kenden eerst een welstellende periode.

Bij Dexia gingen de winsten van 1,4 miljard in 2001 naar 2,5 miljard in 2007. In zeven jaar maakte de bank 13 miljard winst. Bij het Fortis van Maurice Lippens ging het van 2,6 miljard in 2001 naar 4,1 miljard in 2007, goed voor 20 miljard winst in zeven jaar. Samen boekten de twee grootbanken 33,45 miljard euro winst. Die stroomde niet naar de samenleving, maar naar de aandeelhouders.

 

Dan kwam de klap van 2008. Opeens was veel geld nodig om de banken van de ondergang te redden. En de burger mocht dat geld ophoesten: voor Ethias, voor KBC – de parel van Vlaanderen – voor Fortis en voor Dexia. En nog eens voor Dexia. Wij gaven 28,2 miljard euro uit om de banken te redden.

 

De gevolgen voor de staatskas bleven niet uit. Financieminister Didier Reynders gaf al in 2009 toe: “De impact van de steun aan de banken op de schuldratio komt overeen met 6,3% van het bbp.” De afgelopen jaren kreeg de staat via het doorverkopen van de Fortisbank en via de terugbetaling van een deel van het voorgeschoten geld 16,8 miljard terug (volgens de meest optimistische berekeningen). Dat wil zeggen: de redding van de banken heeft ons tot op vandaag minstens 11,4 miljard gekost.

De overheid draaide op voor de falende privébankiers, de schulden werden doorgeschoven naar de gezinnen.

 

Intussen hangt de staat nog steeds vast aan waarborgen voor Dexia ter grootte van 45 miljard euro. Als Dexia door een nieuwe internationale bankencrisis opnieuw in het oog van de storm zou belanden, moet de staat voor bijna een achtste van het bbp dekking verlenen.

 

Drie. Een bankhervorming in mineur: de bankensector blijft voortboeren in speculatieproducten.

Na de bankencrisis van 2008 werden dure eden gezworen: de banken zouden voortaan in het gareel lopen, het zou gedaan zijn met speculeren met de spaarcenten van de bevolking. De regering keurde in december 2013 een bankhervorming goed. De vraag is maar of die hervorming het risico op een nieuwe bankencrisis uitschakelt en of het spaargeld nu veilig is. Reden voor triomfalisme is er niet.

De ingrijpendste bankhervorming ooit werd na de beurs- en bankkrach van 1929 doorgevoerd. Ook toen ontplofte een speculatiebubbel, met een reeks bankfaillissementen tot gevolg. De logische oplossing leek toen de bankactiviteit drastisch in te perken: speculatieactiviteit werd voor spaarbanken verboden. Die moesten alle speculatie onderbrengen in aparte zakenbanken. De banken kregen dat in de VS opgedrongen door de Glass-Steagal Act van 1933. Een verplichting die in 1999 onder invloed van de neoliberale dereguleringsgolf weer werd opgeheven.

 

Ook na 2008 brachten velen zo’n splitsing tussen zakenbanken en spaarbanken aan als minimumformule om te vermijden dat de staten nog eens moesten opdraaien voor de riskante handel in waardepapieren (trading), beurswaarden, termijncontracten enzovoort.

Universele banken, zoals we die in België kennen, zouden opgesplitst moeten worden in depositobanken (voor spaarders) en zakenbanken (voor investeerders en speculanten). Het is bekend: zakenbanken zoals Lehman Brothers zaten in 2008 volgepropt met rommelproducten, maar zij waren niet de enigen. Ook de meeste gewone banken hadden jarenlang een graantje meegepikt van de lucratieve markt van toxische pakketten. Ook zij werden meegesleept in de crisis. Het lag dus voor de hand dat de maatregel uit 1933 overal weer uit de kast zou worden gehaald. Maar dat gebeurde niet, ook nu niet bij de bankhervorming van de regering-Di Rupo.

De regering maakte een onderscheid tussen de handelsactiviteit van de banken voor eigen rekening en die voor rekening van de klanten. De redenering daarachter is dat vooral de handel voor eigen rekening aan de basis lag van de crisis en dat de handel in opdracht van klanten een positieve stimulans is voor de economie. Daarom nam de regering een dubbelbesluit:

1. Speculeren voor eigen rekening wordt verboden; als een bank dat wel wil doen, moet ze die activiteit in een aparte, afgescheiden entiteit onderbrengen.

2. Trading in opdracht van de klanten is toegelaten, maar tot een maximumplafond dat is vastgelegd op 15% van het balanstotaal. Boven dat plafond moet de bank elke euro indekken met een euro uit eigen middelen. De regering gaat er hierbij van uit dat die trading niet speculatief is, maar dient als hulp bij de uitvoer, voor de indekking van wisselrisico’s van bedrijven en voor het op gang trekken van staatsleningen.

 

Bij de eerste maatregel kunnen we opmerken dat er geen sprake is van waterdichte beschotten tussen de klassieke bankactiviteit en het zakenbankieren, vermits beide onder dezelfde koepel mogen thuishoren. Wat gebeurt er wanneer die zakenbanken op hun beurt too big to fail worden? Bij de tweede maatregel merken trading-ingewijden op dat het heel moeilijk is in de balans van de banken speculatieve activiteit te onderscheiden van activiteit met economisch nut. Zij wijzen erop dat de subprime-leningen ook een economisch nut hadden (de boom in de woningsector), maar achteraf gevaarlijke springstof bleken. Met andere woorden, als je toch de poort openlaat voor trading in een gewone bank, haal je automatisch ook een virus binnen dat dodelijk kan zijn. De regeringspartijen beseffen dat. Daarom hebben ze ook besloten dat de banken, naast de 100.000 euro waarborg op spaargeld, “geleidelijk een reserve vrije activa moeten aanleggen om spaarders te kunnen terugbetalen in geval van bankroet”.

 

Vier. De nieuwe toezichthouders zijn… de oude.

Een week voor de val van Fortis in 2008 beweerde Jean-Paul Servais, de toenmalige voorzitter van de Bankcommissie, dat de Belgische banken “geen enkel probleem, noch qua solvabiliteit noch qua liquiditeiten” hadden. Deze “zeer bekwame” toezichthouder Servais is vandaag de baas van de FSMA (Financial Services and Markets Authority), de opvolger van… de Bankcommissie.

Luc Coene, de baas van de Nationale Bank, de andere toezichthouder op de financiële sector, was toentertijd al een spilfiguur bij… Fortis. Filip Dierckx, nog een topfiguur van Fortis destijds, is vandaag directeur van Febelfin, de Belgische federatie van financiële instellingen.

Een bankier uit de City zei in 2008: “Wij hebben de potten gebroken maar ons gaan ze vragen die potten weer te lijmen.” En zo is het ook gebeurd. Karel De Boeck, de CEO van Dexia zei nog: “In het normale scenario zijn we veilig. Niet nodig het kapitaal te verhogen.” Deze Karel De Boeck was in 2007 “risicoverantwoordelijke” bij Fortis.

De controleurs blijven mensen van de incrowd. Dan kan je evengoed de tabakslobby de opdracht geven de strijd tegen longkanker te leiden.

 

De zeer bescheiden aanbevelingen van de Dexia-commissie hebben op geen enkel vlak enige uitwerking:

– de FSMA moet de verkoop van beleggingsproducten voor het grote publiek erkennen (of verbieden). Een keurmerk moet de consument helpen de risico’s in te schatten;

– indien liquiditeits- of solvabiliteitsnormen niet gehaald worden, of indien te veel uitgeleend wordt in verhouding tot het kapitaal (leverage ratio), kan de FSMA dividenden verbieden;

– bij de systeembanken zou een lid van de FSMA en van de Nationale Bank als waarnemer moeten zetelen in de raad van bestuur;

– de toezichthouder moet richtlijnen uitvaardigen voor de combinatie van mandaten binnen de raad van bestuur of binnen de bankengroep;

– de toezichthouders moeten jaarlijks aan het parlement verslag uitbrengen over de gezondheid van de financiële instellingen en over de risico’s die de Belgische financiële sector loopt.

 

De visie van de PVDA+

Door de crisis heeft de Belgische overheidsschuld de grens van 100% van het bbp overschreden. In 2007 bedroeg de schuld amper 84%. De redding van de banken met overheidsgeld (met ons geld dus) is verantwoordelijk voor deze situatie.

De hoofdrolspelers van toen zijn de hoofdrolspelers gebleven. Wie in ons land een kersenpit spuwt, riskeert een GAS-boete, maar wie mee verantwoordelijk is voor een van de grootste financiële kraters, die gaat vrijuit.
Bij de hervormingen van de werkloosheid, van de pensioenen, van de lonen, van de statuten, van het openbaar ambt… telkens kregen we te horen dat we ons moeten “responsabiliseren”, dat we “onze privileges” moeten opgeven, dat “iedereen in hetzelfde schuitje” zit. En ondertussen zien we al zes jaar lang geen enkele ernstige hervorming of ernstige sanctie wat de bankenwereld betreft.

De bankhervorming van de regering-Di Rupo is een maat voor niets omdat de regering niet wil raken aan de winstlogica van de banken. Ondanks alle geroep over een “ethisch” kapitalisme, zijn de grote multinationale financiële instellingen blijven speculeren. Logisch. In tijden van financierskapitalisme, wanneer industriële en speculatieve activiteiten eng verweven zijn, gaan investeren en speculeren hand in hand. Dat zit in het DNA van het systeem. Dan moet je ook geen “zekerheid” of “ethiek” verwachten van privéspelers die alleen op profijt uit zijn. Een regelgeving die vertrouwen stelt in de privé, is gedoemd te mislukken.

We hebben geen garantie op veilige banken in een bankenwereld waarin de meest rendabele producten zich hoe dan ook in de speculatiesfeer bevinden. Er is geen enkele maatregel genomen om toxische producten te verbieden of om de schaduwbanken, die grossieren in dat soort producten, aan te pakken. Aan de belastingparadijzen wordt niet geraakt. Na de financiële crisis kwam er geen enkele ernstige poging om de gigantische zwalpende speculatiemassa aan banden te leggen, laat staan ze te vernietigen. Alles blijft aanwezig om nieuwe bubbels te zien opduiken. Nieuwe crisissen zijn niet uitgesloten.

Feit is: het wereldje van de schaduwbanken, dat grotendeels buiten elke regelgeving valt, is eng verstrengeld met het geregelde bankstelsel. Banken zijn dikwijls doorgeefluik voor schaduwbanken of hebben voor hun rijkste klanten eigen hedgefunds in belastingparadijzen. Banken investeren ook voor eigen rekening in producten en derivaten, op de markt gebracht door schaduwbanken.

De bankhervorming van de regering-Di Rupo is veel zwakker dan de maatregelen uit de jaren 30. Ze is ook veel zwakker dan de hervormingen die de voorbije jaren zijn goedgekeurd in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië. Ze gaat minder ver dan de Amerikaanse hervorming-Volcker uit 2010 die elke financiële of groepsband verbiedt tussen de depositobank en de zakenbank. Ze gaat zelfs minder ver dan de Britse hervorming-Vickers, die de traditionele banken een verbod op alle trading-activiteit oplegt en voor trading een volledig afgesplitste entiteit eist, al mag die wel binnen dezelfde groep blijven.

 

We moeten weg uit het doodlopende straatje van privaat bankieren en speculeren, waar – als het goed gaat – de lusten naar een handvol private aandeelhouders gaan. En waar – als het misloopt – de overheid de lasten moet dragen. Onze samenleving kan geen tweede bankencrisis meer aan.

We moeten linksomkeer maken. Om veilig te kunnen sparen en voor goedkoop krediet zal een opdeling alleen niet volstaan. De gemeenschap, die nu opdraait voor de verliezen van het beleid, moet dat beleid in de toekomst volledig zelf kunnen bepalen en ook de winsten ervan kunnen rapen. We willen een publieke bank, versie 2.0. Natuurlijk biedt een openbaar statuut geen waterdichte garantie. Maar wilde speculatie en riskante operaties met spaarcenten en pensioengeld kunnen dan vermeden worden. We kunnen strenge regels opleggen – ook voor de lonen van bestuurders – en die laten controleren door personeels- en klantenorganisaties.

 

Wij zijn voor een openbare bank, versie 2.0. Een nieuw bankmodel waar de overheid garant staat voor het spaargeld, waar geen hoge-risicomarkten worden opgezocht en geen rommelkredieten opgekocht, waar de opbrengst terugvloeit naar de samenleving voor investeringen in de reële economie, in groene energie, in mobiliteit en huisvesting. Dat is het bankmodel waar wij voor staan.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Een publieke bank 2.0.

Om de concurrentiegedreven roekeloosheid van de banken te stoppen zijn bijzondere maatregelen nodig. Wij stellen voor dat er een nieuwe openbare bank wordt opgericht. Dan kan de kredietverlening een instrument worden voor sociale en ecologische vooruitgang, in plaats van een toegangspoort naar de woekerwereld.

Er komt een cumulverbod van bestuursmandaten. De bestuurders mogen geen belangen hebben in de privésector.

Er komt een transparant controlecomité met vertegenwoordigers van personeels- en klantenorganisaties.

 

2. De kapitaalnormen voor de banken moeten het dubbele bedragen van de 7 à 10% die de Basel III-regelgeving oplegt.

 

3. Prestatiebonussen moeten verboden worden.

 

4. Om de speculatie in te binden:

– verbod op beleggingsfondsen (hedgefunds) en speculatiefondsen,

– verbod op afgeleide en gestructureerde financiële producten (derivaten),

– verbod op kortetermijnspeculatie en short selling.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014