#GoLeft6: Pensioenen: de oudsten gunnen we rust, de jongeren aan het werk

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

14% van de respondenten plaatst de pensioenen in de top 3 van prioritair aan te pakken problemen. Bij het thema van de armoede vindt 23% dat “de pensioenen van onze oudsten” omhoog moeten.
Op het vlak van werk vindt 43% dat in plaats van de pensioenleeftijd te verhogen, de oudsten het recht moeten hebben op vervanging door een jongere.

 

Vaststellingen

Eén. Toenemende armoede onder de gepensioneerden.

Meer dan één op vijf ouderen (22%) moet leven met een pensioen onder de armoedegrens. Dat staat in het verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing van juli 2013. Het is een schandvlek voor een rijk land als België. Volgens een studie van het interuniversitair Consortium Vergrijzing in Vlaanderen en Europa heeft België de laagste pensioenen van het oude Europa in vergelijking met de lonen. Een gemiddeld pensioen bedraagt bij ons maar goed de helft van een gemiddeld inkomen. In de ons omringende landen is dat tweederde of viervijfde.

Het wettelijk pensioen van een Belgische werknemer is, vergeleken met dat van werknemers in Nederland, Frankrijk en Duitsland die even lang gewerkt hebben en even veel verdiend, het laagste. Het lage pensioen heeft dus niets te maken met langer of korter werken, maar met ons Belgische pensioenstelsel zelf. De wettelijke pensioenen voor werknemers en zelfstandigen zijn veel te laag. Wie 45 jaar gewerkt heeft, krijgt een pensioen gelijk aan 60% van het gemiddelde inkomen. Wie door ziekte of een onvrijwillig einde aan zijn of haar loopbaan geen kans kreeg om 45 jaar te werken, krijgt bijna automatisch een pensioen onder de armoedegrens. (De armoedegrens ligt op 60% van het mediaal inkomen.) In veel andere landen wordt het pensioen berekend op basis van de laatste loopbaanjaren. Dat zorgt per definitie voor betere pensioenen.

 

De regering-Di Rupo ligt niet wakker van de lage wettelijke pensioenen. Het pensioenbeleid van de regering kleurt netjes binnen de Europese beleidslijnen. Die kunnen we als volgt samenvatten:

1. langer werken,

2. de publieke wettelijke pensioenen afbouwen en omvormen tot een minimale bescherming tegen armoede,

3. promotie van de private pensioenspaarregelingen.

 

Ook in haar beleidsnota voor de toekomst wil de regering dat pensioenbeleid voortzetten.

 

Twee. Allemaal twee tot vijf jaar langer werken.

De eerste grote maatregel van de regering-Di Rupo was het optrekken van de pensioenleeftijd. De regering verhoogde de brugpensioenleeftijd in het algemeen stelsel van 58 naar 60 jaar en de vervroegde pensioenleeftijd van 60 naar 62 jaar. Door deze maatregelen zal bijna iedereen minstens twee jaar langer moeten werken.

Een grote groep mensen zal zelfs tot vijf jaar langer moeten werken. De regering verhoogde immers ook de loopbaanvoorwaarde om met brugpensioen of vervroegd pensioen te kunnen gaan. Die voorwaarde heeft ze opgetrokken voor het brugpensioen van 35 naar 40 jaar (voor mannen) en van 28 naar 40 jaar (voor vrouwen). En voor het vervroegd pensioen: van 35 naar 40 jaar voor werknemers en zelfstandigen en van 5 naar 40 jaar voor ambtenaren.

 

Door deze verhoging worden alle ambtenaren, werknemers en zelfstandigen die minder lang actief zijn op de arbeidsmarkt, verplicht om langer te werken, in voorkomend geval ook na de leeftijd van 62 jaar. Deze maatregel treft in de eerste plaats de vrouwen, van wie vandaag slechts één op drie aan een loopbaan van 40 jaar geraakt. Veel vrouwen zullen in de toekomst dus tot vijf jaar langer moeten werken. Dat geldt ook voor jongeren. Wie op 25 jaar begint te werken of wie een werkonderbreking neemt die niet wordt gelijkgesteld, zal vijf jaar langer moeten werken.

 

De plicht langer te werken via de afbouw van het recht op vervroegd pensioen en op brugpensioen is een heel ongelijke en onrechtvaardige maatregel. Het verschil in levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groepen in de samenleving is immers heel groot. Het bedraagt nog altijd meer dan 7,5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen.

Waar deze verschillen de neiging hadden te krimpen in de eerste vier decennia na de Tweede Wereldoorlog, nemen ze nu weer toe.

De levensverwachting als zodanig zegt ook nog niks over de kwaliteit van de geleefde jaren. Nog veel meer dan bij de gewone levensverwachting wordt de gezonde levensverwachting bepaald door de socio-economische groep waartoe je behoort. In 2004 lag de gezonde levensverwachting voor een 25-jarige man die hoger onderwijs gevolgd heeft, op 71 jaar. Voor een man die middelbaar onderwijs gevolgd heeft, lag die op 66 jaar. Voor een man die lager middelbaar onderwijs gevolgd heeft, was dat 64 jaar. Voor een man die lager onderwijs gevolgd heeft, was dat 61 jaar en voor mannen die geen enkel onderwijs gevolgd hebben, was dat 52 jaar. Voor vrouwen lagen die cijfers respectievelijk op 72 jaar, 66 jaar, 67 jaar, 61 jaar en 53 jaar. Het verschil in gezonde levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groepen in de samenleving bedraagt dus meer dan 18 jaar, zowel voor mannen als voor vrouwen.

 

Drie. Afbouw van de wettelijke pensioenen en omvorming ervan tot een minimale bescherming tegen de ergste armoede.

De pensioenhervorming van de regering-Di Rupo trok niet alleen de wettelijke pensioenleeftijd omhoog, ze bouwde ook de wettelijke pensioenen af. In de protestbeweging die volgde na de aankondiging van de pensioenhervormingen in 2011-2012 vroegen velen zich dan ook af: “Waarom langer werken voor minder pensioen?”

De regering verlaagde het wettelijk pensioen van de ambtenaren door het te berekenen op de gemiddelde wedde van de laatste 10 in plaats van de laatste 5 jaar. Afhankelijk van de situatie van de ambtenaar tijdens zijn laatste loopbaanjaren, kan het wettelijk pensioen daarmee tot 12% lager liggen. Een gemiddeld ambtenarenpensioen bedraagt 2.200 euro per maand. Een verlaging met 12% is gelijk aan 264 euro per maand.

De regering schafte sommige gelijkgestelde periodes in de berekening van het wettelijk pensioen voor werknemers af (tijdskrediet na 1 jaar) en verminderde de wettelijke pensioenopbouw tijdens deze periodes (lange werkloosheid en brugpensioen). Afhankelijk van de situatie van de betrokkene zorgt dat voor een verlaging van het wettelijk pensioen die kan oplopen tot 125 euro per maand.

 

Aan het einde van de legislatuur besliste de regering nog snel de pensioenbonus te verlagen. Deze bonus verhoogt het wettelijk pensioen voor werknemers die na de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van 44 kalenderjaren actief blijven. De pensioenbonus werd ingevoerd samen met het Generatiepact in 2005. Hij diende om de bittere pil van de afbraak van het brugpensioen te verzachten. Voor iemand die actief bleef tot de leeftijd van 65 jaar, leverde de pensioenbonus een extra pensioen op van 179 euro bruto per maand. Maar vanaf 1 januari 2014 werd de pensioenbonus herzien. De nieuwe bonus levert voor iemand die actief blijft tot 65 jaar het maximale bedrag op van 83 euro bruto per maand. Dat is bijna 100 euro per maand minder.

 

Daarnaast zette de regering-Di Rupo het beleid van de regeringen-Leterme I en II verder met betrekking tot de herwaardering van een aantal zeer lage pensioenen. Het gaat hier om een verhoging van minimumpensioenen, minimumrechten per loopbaanjaar, vakantiegeld en oudste pensioenen van werknemers en zelfstandigen. De verhogingen bedragen anderhalf, twee of drie procent op jaarbasis. Dat zorgt voor een lichte stijging van deze pensioenen.

Maar samen met de bovenstaande maatregelen zorgt het toch vooral voor de omvorming van de wettelijke pensioenen als volwaardige vervanging van het inkomen naar wettelijke pensioenen als een minimale bescherming tegen armoede. Deze omvorming gaat gepaard met de promotie van de private aanvullende en individuele pensioenen.

 

Vier. De aanvullende en individuele pensioenen: uiterst ontvlambaar materiaal.

Door de afbouw van de wettelijke pensioenen zien de mensen zich natuurlijk verplicht te sparen via private pensioenspaarregelingen. Het individuele pensioensparen en de aanvullende pensioenen zitten dan ook in de lift. De regering-Verhofstadt maakte in het begin van de jaren 2000 het aanvullend pensioen aantrekkelijker voor de werkgevers: ze verlaagde de sociale bijdrage van 35 naar 8,8% op loon dat wordt uitgekeerd onder de vorm van een aanvullend pensioen.

 

Maar de individuele en aanvullende pensioenen zijn heel ongelijk. Niet iedereen beschikt over de middelen om aan individueel pensioensparen te doen. Ook niet alle werknemers krijgen een aanvullend pensioen. Topmanagers daarentegen krijgen een aanvullend pensioen dat tot honderd keer hoger ligt dan dat van gewone werknemers.

De individuele en aanvullende pensioenen zijn ook niet zonder risico. In Nederland, het Walhalla van de aanvullende pensioenen, zijn de aanvullende pensioenfondsen door de crisis zwaar getroffen. Op 1 april 2013 hebben 54 pensioenfondsen pensioenverlagingen doorgevoerd tot 10%. De aanvullende pensioenopbouw voor jongere werknemers in Nederland wordt verwacht zo sterk te gaan dalen dat ze 20 tot 30% minder aanvullend pensioen zullen trekken dan de huidige 60-plussers. Ook in België vielen er klappen. Door het faillissement van de groepsverzekeraar APRA Leven zijn veel werknemers hun opgebouwde aanvullende pensioenrechten kwijt.

 

De visie van de PVDA+

De bekende antropoloog Levi-Strauss zei dat je de humane waarde van een samenleving kan aflezen aan de manier waarop ze met haar ouderen omgaat. België scoort dan niet hoog.

 

De ieder-voor-zichvisie op de pensioenen.

De levensverwachting stijgt, mensen leven gemiddeld langer. En het is waar dat de babyboomgeneratie de pensioenleeftijd bereikt. De sociale zekerheid zal voor groeiende kosten voor pensioen en gezondheidszorg moeten instaan. De vraag is: hoe gaan we daarmee om?

Het antwoord op deze vraag gaat twee tegengestelde kanten uit. Ofwel: geld vrijmaken en dat beleggen op de beurs, ofwel: vertrekken van het recht op een goed wettelijk pensioen voor iedereen. De pensioendiscussie weerspiegelt dan ook een breder maatschappijdebat. Het “ieder zorgt voor zichzelf” stimuleren of de solidariteit organiseren? Een maatschappij van concurrentie, dividendenjacht en winstbejag? Of een samenleving op mensenmaat?

 

De liberalen van deze wereld mogen gerust denken dat “alles voor de winst, en de winst voor alles” de spil is waarrond de hele wereld moet draaien. Ze moeten alleen niet beweren dat dit de “enige” manier is om een samenleving te organiseren. Ze zeggen dat de sociale organisatie van de samenleving moet veranderen omwille van de vergrijzing en dan hebben ze het over loopbaanverlenging en aanvullende pensioenen. De grote Europese industriële organisaties, de groen- en witboeken van de Europese Commissie, liberale denktanks in allerlei soorten en maten, politieke partijen van allerlei kleur, allemaal stellen zij deze visie voor als de enig mogelijke. Onwrikbaar staat dat vast, debat gesloten. Debat gesloten? Met zo’n eenheidsdenken is er zelfs geen debat.

 

De liberalen van deze wereld bekijken alles door de bril van de kostprijs, de opbrengst, het concurrentievoordeel en de winst. In die visie zijn pensioenen natuurlijk pure ballast, geld dat besteed wordt aan mensen die niet productief zijn. Pensioen uitkeren, dat brengt niet op, redeneren ze. Het is beter dat geld op de markten te brengen en in de economie te beleggen. Daarom willen zij de wettelijke pensioenpijler laag houden, net boven de armoedegrens. Zodat mensen aangespoord worden zelf aan pensioensparen te doen. Dat geld gaat via pensioenfondsen naar de beurs.

 

Het is ook veel nuttiger – volgens deze visie – oudere mensen aan het werk te houden. Zo spaart de gemeenschap geld uit en bovendien kunnen al die bijkomende krachten op de arbeidsmarkt ervoor zorgen dat de druk op de ketel blijft. Dan is er veel concurrentie onder loontrekkers die op zoek zijn naar werk en dat houdt de lonen laag. De ultraliberale school van Chicago, die jarenlang volhield dat de onzichtbare hand van de markt alles oplost, formuleerde het zo: “De natuurlijke graad van werkloosheid verhindert dat de lonen te fel stijgen.” Een cynische maatschappijvisie die het tot een biologische wet verheft dat massa’s mensen in werkloosheid tot gedwongen nietsdoen zijn veroordeeld, en die volhoudt dat dit economisch darwinisme ervoor zou zorgen dat diegenen die wel werk hebben, niet veel verdienen.

 

Die “Chicagoboys” hebben in de jaren zeventig van vorige eeuw ook het driepijlersysteem van de pensioenen uitgedacht. De wettelijke pensioenpijler is voor deze ultraliberalen een soort openbare onderstand, om te zorgen dat de ouderen niet omkomen van honger en kwel. De tweede pijler is een private pijler op het niveau van bedrijven en sectoren, en de derde pijler is die van het privépensioensparen.

Het wettelijke pensioen, de eerste pijler, uithollen en laag houden heeft in deze visie twee voordelen. Hoe groter de bezorgdheid dat je met je wettelijk pensioentje niet zal rondkomen, hoe meer mensen gepusht worden toch maar zelf aan pensioensparen te doen, en hoe meer de bedrijven hun tweede pijler kunnen uitbouwen. Het beleid heeft die twee private pijlers jarenlang aangemoedigd met grote fiscale kortingen. Een groeiend deel van het pensioengeld wordt dan ook als beleggingsfonds beheerd door privékapitaal. En de perceptie dat het wettelijk pensioen iets voor sukkelaars is, wint meer en meer veld. Zo raakt vergeten dat het om een basisrecht gaat waar je jarenlang een deel van je loon voor hebt afgedragen. En zo wordt sneller dan ons lief is de trotse sociale zekerheid vervangen door een politiek van armoedebestrijding en aalmoezen. De trend is dat iedereen zijn geld afstaat aan pensioenfondsen, aan bank- en verzekeringsmaatschappijen, die ermee naar de beurs trekken.

 

De solidariteitsvisie op de pensioenen.

Maar er is ook een visie op de pensioenen die vertrekt van de mensenmaat. Als de samenleving verandert en er zich nieuwe noden stellen, moeten we creatief op zoek naar middelen om ze te financieren. Dat mensen die dertig of veertig jaar aan de welvaart van de samenleving hebben bijgedragen, in alle gezondheid van hun pensioen kunnen genieten, is in het belang van ons allemaal. En wie er heel zijn leven een stuk van zijn loon voor heeft afgedragen, heeft recht op een degelijk wettelijk pensioen en moet daarvoor niet nog eens gaan bijsparen via riskante pensioenfondsen. Dat is een zaak van waardig ouder worden.

 

Daarbij is de eerste voorwaarde het recht op een degelijk pensioen op een leeftijd waarop je nog niet helemaal bent “opgebruikt”. En jazeker, het is mogelijk een leefbaar pensioenstelsel uit te bouwen dat mensen niet verplicht langer te werken en aanvullende privépensioenen te nemen. Maar dan moeten we eerst bepaalde mythen uit de wereld helpen.

 

De vergrijzing is geen tsunami, maar maatschappelijk draagbaar.

De economische impact van de vergrijzing is veel beperkter dan dikwijls gedacht wordt. Om die impact te meten, verwijzen studies van de Europese Commissie, de OESO, de Wereldbank en de Studiecommissie voor de Vergrijzing naar “de demografische afhankelijkheidsratio”. Dat is het aantal gepensioneerden per aantal actieven. Deze ratio zou in België evolueren van iets minder dan 4 actieven per gepensioneerde vandaag naar iets meer dan 2 actieven per gepensioneerde in 2060. Maar de redenering is fout. Niet alleen 65-plussers moeten leven van de welvaart die wordt voortgebracht door de werkenden. Wanneer we rekening houden met alle niet-actieven (de 65-plussers, de kinderen onder de 15 jaar, de werklozen en de “vrijwillig niet-werkenden”) dan zijn er vandaag voor elke actieve 1,38 niet-actieven in België. Die ratio – “de economische afhankelijkheidsratio” – stijgt naar 1,45 in 2030 en 1,52 in 2060. Dat is een stijging met 5% tegen 2030 en met 10% tegen 2060 of een gemiddelde stijging van 0,21% per jaar tegen 2060. Dat zijn geen alarmerende cijfers.

 

Want naast deze stijging is er de stijging van de arbeidsproductiviteit, die algemeen beschouwd wordt als de grondslag en maatstaf van de economische groei op lange termijn. Bij een stijging met 1,5% per jaar verdubbelt de arbeidsproductiviteit na 47 jaar. Volgens de prognoses van de OESO blijft de arbeidsproductiviteit in België stijgen met 1,6% per jaar. Tegenover de toegenomen ‘last’ van de vergrijzing tegen 2060 met 10% staat dus een stijging van de arbeidsproductiviteit met 100%.

In de cijfers van de Studiecommissie voor de Vergrijzing worden niet alleen de stijgende uitgaven voor de pensioenen en de gezondheidszorg in rekening gebracht, maar ook de dalende uitgaven voor de werkloosheid, de kinderbijslag en de arbeidsongevallen. Rekening houdend met het hele plaatje zou de vergrijzing een totale kost met zich meebrengen van 3,3% van het nationaal inkomen tegen 2030 en 5,4% tegen 2060. Dat is een toename van 0,19% per jaar tegen 2030 – minder dan 700 miljoen euro per jaar – of 0,11% tegen 2060. Géén tsunami dus, maar een langzaam aanzwellende stroom. In het totaal zouden de pensioenen in 2060 14,7% van het nationaal inkomen bedragen. 14,7% van het nationaal inkomen voor 32,2% van de bevolking. Is dat nu zo overdreven? Natuurlijk niet.

 

De wettelijke pensioenen zijn wel betaalbaar.

Maar waarom dan zoveel heisa over de vergrijzing? Waarom zoveel propaganda om het “langer leven = langer werken” erin te pompen? Dat heeft alles te maken met de dalende inkomsten voor de pensioenen.

De inkomsten om de wettelijke pensioenen te betalen bestaan voornamelijk uit drie bronnen:

– de werkgevers- en werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid,

– de subsidies van de staat,

– de alternatieve financiering (voornamelijk met btw-­inkomsten).

 

De werkgevers- en werknemersbijdragen – ook wel “de indirecte lonen” genoemd – vormen sinds het ontstaan van de sociale zekerheid de belangrijkste bron van inkomsten. Maar ze zijn doorheen de tijd sterk gedaald. Dat is te wijten aan de daling van het aandeel van de directe en de indirecte lonen in het nationaal inkomen.

De directe lonen (dat zijn de brutolonen inclusief bonussen, voordelen in natura, opzeggingsvergoedingen en werkgeversbijdragen voor het aanvullend pensioen, maar exclusief de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid) zijn sinds het begin van de jaren 1980 als aandeel van het nationaal inkomen gedaald met 5 procentpunten. Tegenover die daling staat een stijging van het aandeel van de winsten, dividenden en andere inkomsten uit kapitaal.

Niet alleen de directe lonen, maar ook de indirecte lonen (de sociale bijdragen) zijn gedaald. Dat heeft te maken met het invoeren van banen en loonvormen waarop geen of weinig bijdragen worden betaald: aanvullende pensioenen, bedrijfswagens, laptops, gsm’s, niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, allerlei vermeende kostenvergoedingen… De sociale bijdragen voor werknemers zijn sinds de jaren 1980 met 4,5 procentpunten van het nationaal inkomen gedaald, bijna zoveel als de stijging van de kost van de vergrijzing.

 

Deze daling van de sociale bijdragen wordt gecompenseerd door een verhoging van de financiering van de sociale zekerheid door de overheid. Volgens de FOD Sociale Zekerheid is dat een van de belangrijkste evoluties in de sociale zekerheid van het laatste decennium. Maar de slechte toestand van de overheidsfinanciën (wegens het redden van de banken en door de politieke keuzes in het fiscaal beleid) zet dat mechanisme onder druk. Besparen is nu het motto van de overheid, met de hete adem van de Europese Unie in de nek. Daarom is elke bijkomende kost voor de pensioenen, hoe beperkt ook, uit den boze. Vandaar de zoektocht naar alternatieve oplossingen.

 

Een eerste oplossing is dan: mensen langer laten werken. Daardoor kunnen ze pas later op pensioen gaan en sterven ze ook iets vroeger. Dat is, cynisch genoeg, dubbele winst voor de pensioenkas. Ook verhindert de maatregel dat het aantal werklozen te sterk zou dalen, wat “goed” is voor de druk op de lonen.

Een tweede oplossing is dan: mensen stimuleren om zelf te sparen voor het eigen pensioen.

Om deze tendens te keren is het cruciaal de bruto lonen (het directe en het indirecte loon) te herwaarderen. De loonbevriezing en de aanvallen op de index moeten stoppen. Er mogen ook geen nieuwe verminderingen van de sociale bijdragen komen. Daarmee is de band duidelijk tussen de strijd voor degelijke lonen en die voor degelijke pensioenen.

 

Meer dan 600.000 werklozen, waarom dan langer werken?

De regering laat ons langer werken zonder dat er een analyse is naar de kansen op werk voor oudere werknemers. Die kansen zijn klein, gezien het grote overschot aan arbeidskrachten op de arbeidsmarkt. In Brussel concurreren 48 mensen voor één baan, in Vlaanderen zijn dat er 10 voor één baan. Gemiddeld voor ons land: 17 werkzoekenden voor één job. In oktober 2013 waren er 35.500 werkaanbiedingen voor in totaal 595.000 werkzoekenden. De regering verplicht ons langer te werken, maar voor de werkgevers – zowel in de privé als bij de overheidsdiensten – geldt geen enkele verplichting om ouderen ook langer aan het werk te houden. Het Steunpunt Werk en Sociale Economie van de KU Leuven berekende dat de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd hoogstwaarschijnlijk een verhoging van het aantal werklozen met zich mee zal brengen. Meer werklozen: dat is natuurlijk geen oplossing voor de financiering van de wettelijke pensioenen. Integendeel, het zet druk op de lonen, wat op zijn beurt een negatief effect heeft op de omvang van de sociale bijdragen die de wettelijke pensioenen moeten financieren.

 

Een studie van de Bijzondere Commissie voor de Pensioenen van de Lokale Besturen geeft aan dat de impact van twee jaar langer werken op de financiering van de wettelijke pensioenen zeer beperkt is. De Europese Commissie spreekt dan ook niet over twee jaar, maar over vier of vijf jaar langer werken (tot 69 of 70 jaar). Voor België beveelt de Commissie zelfs de automatische koppeling van de pensioenleeftijd aan de gemiddelde levensverwachting aan.

 

De wettelijke pensioenleeftijd met vier of vijf jaar verhogen ondermijnt de democratisering van het ouder worden. Ziehier waarom:

Een 65-jarige man had in 1841 – de vroegste cijfers waarover we voor België beschikken – een levensverwachting van gemiddeld nog 11 jaar. Een 65-jarige man heeft vandaag een levensverwachting van gemiddeld nog 17 jaar. Dat is slechts 6 jaar meer.

Een 85-jarige man had in 1841 een levensverwachting van gemiddeld nog 3,9 jaar. Vandaag is die levensverwachting gestegen tot nog 5,3 jaar. Dat is slechts 1,4 jaar meer over een periode van 175 jaar.

Dat iedereen langer leeft, is dus niet juist. Wel juist is dat meer mensen de kans krijgen om oud te worden. Het ouder worden is met andere woorden gedemocratiseerd. Maar belangrijke verschillen blijven bestaan. Het verschil in levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groepen in de samenleving bedraagt nog altijd 7,5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen. Voor de gezonde levensverwachting bedragen die verschillen zelfs 18 jaar. En deze verschillen nemen weer toe, omdat de levensverwachting voor de laagste socio-economische groepen niet stijgt en in bepaalde landen, zoals Duitsland en Rusland, zelfs daalt. Een lineaire verhoging van de pensioenleeftijd ondermijnt dan ook de democratisering van het ouder worden en stuurt ons vele jaren terug in de tijd.

 

De regering die de ouderen verplicht langer te werken, verspert voor de jongeren de weg naar de arbeidsmarkt.

 

Een hetze over “een generatieclash”, of solidariteit tussen de generaties?

Naast het langer werken en de afbouw van de wettelijke pensioenen, is de derde krachtlijn van het Europese en Belgische pensioenbeleid: de promotie van aanvullende en individuele pensioenspaarregelingen. Daar spaart iedereen voor zijn eigen pensioen. Dat wordt voorgesteld als een zaak van intergenerationele solidariteit. De jongeren zouden dan niet meer moeten opdraaien voor het pensioen van de ouderen. Die voorstelling van zaken is niet correct.

Er staat geen Chinese muur tussen het inkomen van jong en oud. Ouderen in financiële nood zullen vroeg of laat moeten aankloppen bij hun kinderen. De vraag is dan ook niet hoe de pensioenopbouw de jongere generatie moet ontlasten, maar wel hoe een samenleving in haar geheel de pensioenopbouw moet organiseren (voor jong én oud).

 

Het “omslagstelsel” van de wettelijke pensioenen houdt in dat de pensioenen van het niet-actieve deel van de bevolking direct betaald worden door de bijdragen van het actieve deel. Dat omslagstelsel is gunstig en zorgt voor meer solidariteit tussen de generaties. Maar het stelsel van aanvullende en individuele pensioenspaarregelingen is een kwestie van financiële langetermijnverrichtingen, ieder voor zichzelf. De opbouw ervan strekt zich uit over een periode van 35 tot 45 jaar en de uitkeringsfase over een periode van 20 tot 30 jaar. Op lange termijn ligt het rendement van niet-risicovolle financiële producten op de kapitaalmarkten niet hoger dan de groei van het nationaal inkomen, zeker niet wanneer je de administratiekosten van private pensioeninstellingen mee in rekening neemt.

Miljarden euro pensioengeld beleggen op de financiële markt, met zijn bubbels en crisissen, zit ook vol risico’s.

 

Fakkelbanen.

Als je kan zorgen voor goede banen voor jongeren, als oudere werknemers hun ervaring kunnen doorgeven aan jongere collega’s, als meer bruggepensioneerden vervangen worden door jongeren, dan blijft het percentage werkenden precies even groot. Met dat verschil dat je dan kansen geeft aan een nieuwe generatie en tegelijk aan de oudere generatie de kans biedt gezond en wel te genieten van de jaren na de loopbaan.

 

Op de vraag: “Hoe werk voor iedereen garanderen?” kruiste 43% van de ondervraagden in de verkiezingsenquête van de PVDA aan: “Vervang oudere werknemers door jongeren in plaats van de pensioenleeftijd te verlengen”. We willen de kwestie van de herverdeling van het beschikbare werk opnieuw bespreekbaar maken. We produceren steeds meer rijkdom met steeds minder werkers. We moeten het beschikbare werk dan ook beter verdelen, met behoud van de koopkracht. Op de eerste plaats door een betere verdeling tussen de generaties, waarbij ouderen die hun leven lang gewerkt hebben, vervroegd op pensioen kunnen gaan en vervangen kunnen worden door jongeren die zonder werk zitten. Dat zijn fakkelbanen, waarbij ouderen vroeger (volledig of gedeeltelijk) kunnen stoppen en zoals bij de sociale Maribel verplicht vervangen worden door jongeren.

 

Versterking van de wettelijke pensioenen.

Het Belgische pensioenstelsel schiet tekort op de twee doelstellingen van een goed pensioen: bescherming tegen armoede en degelijke vervanging van vroegere inkomens uit arbeid. Deze twee doelstellingen hangen samen: de beste bescherming tegen armoede is een correct pensioen. Een goed voorbeeld daarvan is het wettelijk pensioen van de ambtenaren. Dat pensioen is gelijk aan 75% van het gemiddeld inkomen van de laatste 10 jaar. Het wordt automatisch aangepast aan de stijging van de welvaart.

De geleidelijke uitbreiding van het wettelijk pensioen voor ambtenaren naar de werknemers in de privé zou de uitgaven voor de wettelijke pensioenen doen stijgen naar 18,28% van het nationaal inkomen tegen 2030 en 19,68% tegen 2060. Dat zijn geen absurd hoge cijfers. De besteding van ongeveer een vijfde van het nationaal inkomen aan ongeveer een derde van de bevolking (32,2%) is niet overdreven. Het gaat hier immers over inkomen of koopkracht, waarvan het overgrote deel rechtstreeks terugvloeit naar de economie (via consumptie, uitgaven voor zorg, investeringen in woningen van kinderen, nalatenschappen enzovoort).

 

Vier hoekstenen voor de herfinanciering van de pensioenen.

We kunnen samen de keuze maken om de toekomstige groei van het nationaal inkomen opnieuw anders te verdelen. Het proces van de vergrijzing spreidt zich uit over twintig tot vijftig jaar. Daar moet een langetermijnvisie aan gekoppeld worden die de rijkdom anders verdeelt. Deze herverdeling vanuit de solidariteit heeft vier hoekstenen.

– De belangrijkste is: de sokkel van de sociale zekerheid verbreden met méér stabiele, duurzame en goedbetaalde banen. Wij stellen voor dat een deel van de miljonairstaks wordt aangewend om die banen te creëren.

 

– Een tweede deel van deze miljonairstaks – 3 miljard – wordt gebruikt voor een nieuwe “alternatieve financiering” van de sociale zekerheid. Op die manier kan de eerste pijler versterkt worden en kunnen de pensioenen omhoog. Het Raadgevend Comité voor de Pensioensector (sinds kort de Federale Adviesraad voor Ouderen genoemd) stelde voor een vermogensbelasting in te voeren, teneinde de transfer tijdens de afgelopen decennia van inkomen uit arbeid naar inkomen uit kapitaal te heroriënteren naar een degelijk inkomen voor gepensioneerden.

 

– Ook een efficiënte aanpak van de fiscale fraude zal van belang zijn, met opheffing van het bankgeheim, openbaarheid van verrichtingen, zerotolerantie en zware straffen tegen overtredingen.

Die fraude komt voornamelijk uit de rijkste bevolkingslagen. Ze kost ons jaarlijks tussen 15 en 20 miljard euro.

 

– Tot slot zal ook de houtworm uit het systeem weg moeten. Die houtworm, dat is de stelselmatige verlaging van de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid. Hij vreet al jaren aan het hele stelsel en woekert verder in allerlei extralegale betalingen. Maaltijdcheques of ecocheques dragen niets bij aan de sociale zekerheid. Deze houtworm kost de sociale zekerheid jaarlijks 11 miljard euro aan minder inkomsten. Veel van die voordelen zullen teruggeschroefd moeten worden.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Fakkelbanen, recht op brug- en prepensioen, geen verhoging van de pensioenleeftijd.

De vervroegde pensioenleeftijd moet toegankelijk blijven vanaf 60 jaar met een loopbaanvoorwaarde van 35 jaar. Het recht op brugpensioen in het algemene stelsel moet terug toegankelijk zijn vanaf 58 jaar, met een loopbaanvoorwaarde van 35 jaar. We willen een verplichte indienstneming van een jongere voor elke oudere die met brugpensioen vertrekt. De bruggepensioneerden blijven in het regime van de werkloosheid. Zij hebben recht, maar geen plicht op wedertewerkstelling.

 

2.We willen een speciale brugpensioenregeling voor zware beroepen. Daar wordt de leeftijd voor recht op brugpensioen verlaagd naar 56 jaar en de loopbaanvoorwaarde naar 33 jaar. (Onder die regeling vallen dan de werknemers die minimaal 20 jaar gewerkt hebben in een stelsel van nachtarbeid, zoals gedefinieerd in cao nr. 46, of de werknemers die vallen onder het paritaire comité van het bouwbedrijf.)

3. We ijveren voor de versterking van de wettelijke pensioenen. We willen de geleidelijke uitbreiding van het wettelijk pensioen voor ambtenaren naar het stelsel voor de werknemers van de privé. In dat stelsel is het pensioen gelijk aan 75% van het inkomen van de laatste tien jaar. De uitkeringen worden automatisch aangepast aan de stijging van de welvaart. Deze maatregel wordt betaald door de miljonairstaks en door andere vormen van belasting op kapitaal.

Een sterk wettelijk pensioen is de beste bescherming tegen armoede onder gepensioneerden.

 

4. Naast de versterking van de inkomensvervangende functie van het pensioen, is ook een versterking van de armoedebeschermende functie vereist. Ook wie onvoldoende actief is kunnen zijn op de arbeidsmarkt om een goed wettelijk pensioen op te bouwen, heeft recht op een menswaardig inkomen op zijn of haar oude dag. De Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO) flirt met de armoedegrens. Ze bedraagt 674 euro voor samenwonenden en 1.012 euro voor alleenstaanden. Net onder of net op de armoedegrens. De IGO moet dan ook worden opgetrokken naar 120% van de armoedegrens, dat is 850 euro voor samenwonenden en 1.150 euro voor alleenstaanden.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014