#GoLeft4: De rijkdom durven activeren

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

Vraag: “Crisis. Wie moet de rekening betalen?”

Antwoord van 46% van de ondervraagden: “De multinationals en grote banken. Zij betalen nu geen of nauwelijks belasting op hun winsten omdat de regering dat toelaat (bv. notionele interest).”
Meerdere recente peilingen geven aan dat 80% van de Belgen voorstander is van de invoering van een vermogensbelasting.

 

Vaststellingen

Eén. België is een fiscaal paradijs voor de rijken, een fiscale hel voor de werkende mensen. Dat is het gevolg van een beleid dat op gang kwam in de jaren 1980, toen de Belgische regering zich liet meesleuren in de neoliberale golf van de Reagans en Thatchers. Dat beleid is sindsdien onophoudelijk uitgediept, ook vandaag nog. Aan de basis van de neoliberale hervormingen in de jaren 1980 lag het idee van het “geleidelijk overvloeien”. De redenering was dat door de rijkdom te stimuleren en de rijksten fiscale cadeaus te geven, de stijging van die rijkdom geleidelijk ging doorsijpelen tot in de onderste lagen van de samenleving. Het leidde tot fiscale hervormingen waarbij de hoogste inkomens almaar minder belasting betaalden. Grote vermogens zwelden aan en de staat liet belangrijke inkomsten aan zijn neus voorbij gaan.

Het gevolg is dat de maatschappij steeds minder inkomsten haalt bij de sterkste schouders. De regering gaf die politiek op geen enkel moment een andere wending.

 

In 2011 kreeg de overheid 182 miljard euro inkomsten:

– 23 procent via de personenbelasting,

– 22 procent via taksen op consumptie,

– 30 procent via sociale bijdragen op arbeid.

Ongeveer drievierde van de overheidsinkomsten wordt gespijsd door de loontrekkenden.

Slechts 6 procent van de inkomsten komt van de vennootschapsbelastingen en dat is een historisch diepterecord. Deze regering bracht daar fundamenteel geen enkele wijziging in.

 

Twee. Voor de grote multinationals blijft het tarief dalen, richting nulpunt. Het belastingtarief voor de vennootschappen is een uitstekende barometer voor dit neoliberale fiscale beleid. Terwijl vanaf 1980 het aandeel van de winsten in het nationaal inkomen constant bleef stijgen (ten nadele van het aandeel van de lonen), volgde de belastingheffing op deze winsten een omgekeerde curve. Ze daalde geleidelijk van 48% naar 45%, 43%, 41%, 40% tot vandaag 34%. En dat is het “officiële”, nominale tarief. Het reële tarief ligt nog ongeveer twintig punten lager. De grootste ondernemingen betalen gemiddeld nauwelijks zo’n 6% belastingen. En veel grote ondernemingen betalen helemaal geen belastingen.

 

Het fiscale regime van de coördinatiecentra is er gekomen in 1982. Het kwam er via de volmachten van de vreselijke regering Martens-Gol, als cadeau aan de multinationals. De Europese Unie veroordeelde het systeem. Een liberaal-socialistische regering heeft het in 2005 vervangen door een monster dat nog veel schrikwekkender is voor de overheidsfinanciën: de notionele interesten. Het staat vast dat deze maatregel geen enkele nieuwe job in de privésector opleverde. Maar de kosten voor de begroting vertegenwoordigen wel tienduizenden banen bij de overheid.

Alhoewel de notionele interesten algemeen in diskrediet zijn geraakt – zelfs de verwekkers ervan durven ze niet meer openlijk verdedigen – liet de regering-Di Rupo ze bestaan, tegen alles in, en in weerwil van alle besparingen. Ze heeft er alleen een aantal symbolische beperkingen aan gesteld: ze heeft de notionele interestaftrek teruggebracht tot 3%, maar het tarief voor de obligaties op tien jaar, dat als referentie dient voor de notionele interesten, ligt vandaag veel lager.

 

Drie. Gelieve de rijken die hun geld oppotten, niet te storen. Hoe meer de belasting op de ondernemingswinsten afneemt, hoe sneller de winsten stijgen. Aan de andere kant is het duidelijk dat werknemers met een baan en de mensen die van een uitkering leven, opdraaien voor het leeuwendeel van de besparingen. Wat hieruit volgt is een concentratie van rijkdom in handen van een handjevol grote fortuinen... waar de regering geen belasting op wil innen. In de plaats van een echte vermogensbelasting, vond de regering-Di Rupo een – bijzonder slecht verzorgde – bijdrage uit van 4% op het inkomen uit vermogen van meer dan 20.000 euro. Maar die heeft slechts een jaar gewerkt (of liever niet gewerkt) om daarna alweer afgeschaft te worden en vervangen door een roerende voorheffing van 25% voor iedereen, rijk en minder rijk. Ze zitten er vandaag nog om te lachen in de salons van de patronale kringen.

 

Vier. Personenbelasting: de breedste schouders moeten minder dragen. Ja, in België worden de grote bedrijven zeer weinig belast en de grote fortuinen helemaal niet, terwijl de werkende mensen van hun kant zeer zwaar belast worden. Zelfs de progressiviteit van de inkomstenbelasting voor particulieren werd onderuitgehaald. In België worden de belastingen berekend per inkomensschijf. Op de eerste schijf van je inkomen betaal je helemaal niets. Vervolgens klimt de belastingvoet omhoog naarmate je in een hogere schijf terechtkomt. In 1988 gingen deze belastingschijven van 10% tot 68% voor de hoogste inkomens. Een redelijk brede waaier dus. Maar in 25 jaar tijd is dat verschil in aanslagvoeten almaar kleiner geworden. Je begint nu aan 25% en stijgt nooit uit boven 50%. Op een lager inkomen ga je dus veel sneller al belasting betalen. En op een hoog inkomen betaal je veel minder. Dat is de fiscale hervorming van Didier Reynders die de belastingschalen van 52,5% en 55% voor de hoogste inkomens heeft afgeschaft. En ook PS/sp.a en Ecolo/Groen stemden voor die fiscale hervorming.

 

Om de besparingen te laten slikken, trok de regering-Di Rupo de roerende voorheffing (de belasting op interesten en dividenden) op tot 25% en verkondigde daarbij dat ze nu ook het kapitaal deed betalen. Maar een aanslagvoet invoeren van 25% voor iedereen is het omgekeerde van een herstel van de progressieve belastingschalen, vooral als je weet dat miljardair Albert Frère en konsoorten al hun vermogen in hun holding kunnen concentreren zonder ook maar één cent voorheffing te moeten betalen.

Bovendien geeft de regering de kruimels die ze met de ene hand van “het kapitaal” zou genomen hebben (en dan gaan we er even van uit dat het echt om het grootkapitaal zou gaan), met de andere hand weer terug, via de maatregelen ter bevordering van de “competitiviteit”, de term waarmee werkgevers de exploitatie van de werknemers betalen.

 

Vijf. Indirecte belastingen: stijging over de hele lijn (of toch bijna). Van alle belastingen en taksen in ons belastingstelsel geldt alleen voor een deel van de personenbelasting en voor de erfenisrechten een progressieve schaal. Verder is er niets dat nog beantwoordt aan het principe van de progressiviteit, dat fiscale rechtvaardigheid verzekert doordat een hoger inkomen leidt tot een grotere aanslagvoet.

De btw bijvoorbeeld is proportioneel en treft iedereen, voor het merendeel aan hetzelfde tarief van 21% (en dat misschien nog niet eens, want de rijksten verbruiken niet heel hun inkomen en zijn dus relatief minder onderworpen aan de btw). Alle taksen en heffingen aan een vast bedrag zijn regressief in plaats van progressief. Het zijn net die taksen op de consumptie die de regering direct of indirect heeft verhoogd.

Sommigen gaan er prat op dat ze verhinderd hebben dat er een algemene btw-verhoging kwam, dat er alleen een aanslagvoet kwam voor de kosten van de notaris, de deurwaarder, de advocaat… wat neerkomt op een tariefverhoging.

De federale en de gewestelijke politiek hebben geleid tot een onderfinanciering van de gemeenten. Daardoor zijn die verplicht de (onrechtvaardige) taksen en heffingen te verhogen.

 

Enig lichtpuntje: de daling van de btw naar 6% voor elektriciteit, onder druk van de petitie met 220.000 handtekeningen van de PVDA+. Met twee kritische noten: de maatregel wordt beperkt in de tijd en komt niet ten laste van de multinationals uit de sector, met het gevaar dat op een of andere manier toch weer de belastingplichtigen ervoor opdraaien.

 

Zes. De belastingaftrek van de ene is niet de belastingaftrek van de andere. In de loop der jaren hebben de regeringen allerlei achterpoortjes in de wet ingebouwd. Grote achterpoorten zelfs, aftrekposten waarmee multinationals hun winsten kunstmatig kunnen aftrekken om minder belastingen te betalen.

De studiedienst van de PVDA+ publiceerde eind 2013 zijn recentste top 1000 van de bedrijven die het meeste winst maken in België. Deze duizend ondernemingen realiseerden een gezamenlijke winst van in totaal 50 miljard euro, waarop ze gezamenlijk 3,1 miljard belastingen betaalden of een aanslagvoet van nauwelijks 6,17%. Dankzij allerlei belastingverlagingen zoals het niet belasten van de meerwaarde op aandelen, de notionele interesten en het definitief belast inkomen, moesten die ondernemingen 13,8 miljard euro belastingen niet betalen. En zo gaat het elk jaar opnieuw.

Sommige mensen in de regering zeggen dat het te moeilijk is om die financiële achterpoorten af te sluiten. Maar dat is een non-argument. Want voor andere categorieën van de bevolking maakte de regering-Di Rupo de aftrekposten wel moeilijker. Zo zal je minder kunnen aftrekken voor kinderopvang. Voor een gemiddeld gezin scheelt dat 84 euro per jaar.

Ook de aftrek voor pensioensparen wordt moeilijker. Voor een gezin met twee bejaarden maakt dat jaarlijks 140 euro verschil.

En tot slot wordt ook de aftrek voor dakisolatie moeilijker. En dat kan oplopen tot 301 euro per jaar.

Deze regering heeft dus wel aftrekposten veranderd. Alleen zijn het de verkeerde.

 

Kerncijfers

– Verdeling van de vermogens: het rijkste 1% van de bevolking bezit evenveel als de 60% minst rijken.

 

– Vennootschapsbelasting: de top 1000 van de bedrijven met de grootste winsten betaalt 4 à 6% belasting, naargelang het jaar).

 

– Een greep uit de fiscale en andere cadeaus aan het kapitaal:

1. Notionele interesten: 6,2 miljard (2011)

2. Vrijstelling meerwaarde op aandelen: 3,1 miljard (2010)

3. Definitief belaste inkomens: 6,0 miljard (2010)

4. Het inpalmen van bedrijfsvoorheffingen door de patroons: 2,3 miljard (2011)

5. Het inpalmen van sociale bijdragen door de patroons: 7,1 miljard (2011)

 

– Verdeling van de staatsinkomsten (182 miljard euro in 2011):

1. Betaald door de werknemers: personenbelasting (23%) + sociale bijdragen (30%) + taksen op consumptie (22%) = 75%.

2. Niet fiscale inkomsten: 12%. Door wie betaald? Als de regering privatiseert, wordt het privékapitaal rijker en worden de werknemers armer.

3. Roerende & onroerende voorheffing + successie- & registratierechten: 8%. De werknemers betalen het grootste deel van deze heffingen.

4. Bedrijfsbelasting: 6%.

 

Het is dus tijd alles in perspectief te zetten. Want het gaat om veel geld dat de overheid jaarlijks misloopt door haar fiscale cadeaupolitiek.

 

De visie van de PVDA+

Terwijl de verarming van een groot deel van de bevolking toeneemt, neemt ook de verrijking van de grootste fortuinen toe. De ongelijkheid groeit. Vorig jaar kwamen er 5.700 miljonairs bij in ons land, 8% meer dan het jaar ervoor en dat terwijl de economie kromp met 0,3%. Er is in deze samenleving écht een groep die er beter van wordt.

Dat is dertig jaar geleden al begonnen. Al 30 jaar zien we een dubbel effect.

 

Allereerst op het niveau van het bruto-inkomen, nog voor de staat zelfs belasting int.

Hier ging het aandeel van de kapitaalbezitters onophoudelijk naar omhoog ten nadele van dat van de werkende mensen, de mensen met een uitkering, de kleine zelfstandigen.

Het regeringsbeleid heeft deze evolutie bevorderd door maatregelen die het relatieve aandeel van de lonen verminderden: de besparingsmaatregelen, de wetten op de competitiviteit, de indexmanipulaties, de activering van werkzoekenden, de wetgeving voor meer flexibiliteit en voor substatuten, de liberalisering en privatisering van sectoren die in privéhanden kwamen met verlies van sociale verworvenheden en loonvoorwaarden enzovoort.

 

Vervolgens is er wat de staat heeft gedaan met de fiscaliteit.

Normaal zou die fiscaliteit de rijkdom beter moeten verdelen. Maar de opeenvolgende regeringen hebben integendeel steeds meer fiscale en andere cadeaus aan het patronaat gegeven en het belangrijkste deel van de fiscale lasten op de schouders gelegd van de werkende mensen. Die hebben al enorm veel verloren op het niveau van hun bruto-inkomen en het verlies is nog groter op het niveau van het beschikbare netto-inkomen.

Daar komt bij dat het deel van de koek voor de werkende mensen ook voor 2008 al aanzienlijk kleiner was geworden, omdat zij het grootste deel van de inspanningen hebben opgebracht voor het terugbetalen van de overheidsschuld. De financiële crisis van 2008 heeft al die pijnlijke sociale inspanningen tot niets herleid. De staat heeft zich immers opnieuw in de schulden gestoken om de verantwoordelijken voor deze crisis ter hulp te schieten: de banken.

 

We moeten weg uit dit doodlopende straatje. Op deze twee fronten moeten we de logica omkeren. Enerzijds het brutoloon van de werknemers en de sociale uitkeringen verhogen. Anderzijds de fiscaliteit fundamenteel wijzigen zodat die werkelijk een instrument wordt voor fiscale rechtvaardigheid, in plaats van een werktuig voor herverdeling... ten dienste van de winsten.

Onze visie op fiscaliteit is dat de breedste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Dit vraagstuk van de fiscaliteit is niet alleen een ideologische discussie, maar is ook concreet en reëel. Wat we niet gaan zoeken bij de enen, moeten we gaan zoeken bij de anderen.

 

Als de regering beslist de fiscaliteit voor de bedrijven te verlichten, gaat dat ten koste van werknemers, kleine zelfstandigen en werklozen. Als de 1000 grootste winstgevende ondernemingen bijna 14 miljard euro krijgen aan belastingaftrek, wil dat zeggen dat men de kosten voor de vergrijzing niet wil betalen. Tot 2030 kost het ons minder dan 700 miljoen euro per jaar om de vergrijzing te betalen. Dat is veel geld, en daar is heel veel om te doen. Toch mag dat cijfer wel eens afgezet worden tegen de fiscale cadeaupolitiek van de regering, want die kost ons jaarlijks 20 keer zoveel.

 

Kortom, we moeten de rijkdom activeren. Dat wil zeggen de tendens die we nu al dertig jaar ondergaan omkeren: de rijkdom teruggeven aan wie die produceren, de werknemers. Sociaal is dat dringend, maar ook economisch is het noodzakelijk. Werknemers zorgen voor de consumptie, niet de allang verzadigde multimiljonairs. Als we die steeds rijker laten maken, zijn we nog lang niet uit de crisis.

We pleiten voor een zeer eenvoudige fiscale revolutie: we vinden dat zij, de multinationals en de miljonairs, ook het recht hebben belasting te betalen op hun vermogen en op hun winsten.

Vandaar dat we campagne voeren voor de afschaffing van de notionele interesten en voor de miljonairstaks. Die miljonairstaks treft slechts 88.000 gezinnen in ons land, maar zou jaarlijks wel 8 miljard euro opleveren.

We vinden het een gemiste kans dat de regering daar niet op is ingegaan.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Afschaffing van de notionele interesten, afschaffing van de vrijstelling voor de meerwaarden op aandelen. Opbrengst = minstens 2 miljard.

 

2. Invoering van een miljonairstaks (op de vermogens boven 1,5 miljoen euro). Een taks van 1% op de grote fortuinen van meer dan een miljoen euro, van 2% op de fortuinen van meer dan 2 miljoen euro en van 3% op de fortuinen boven 3 miljoen euro. Deze miljonairstaks slaat maar op een klein gedeelte van de bevolking, hij treft slechts de 3% rijksten. Opbrengst = 8 miljard euro.

 

3. Een speciale taks invoeren op de winsten van de banken. Opbrengst = 1 miljard euro

 

4. De grote fiscale fraude bestrijden met een aantal echte maatregelen. Opbrengst = minstens 3 miljard euro. Maatregelen:

– effectief opheffen van het bankgeheim,

– aanleggen van een vermogenskadaster,

– verhogen (in plaats van verminderen) van het aantal werknemers bij de FOD Financiën en bij de gerechtelijke instanties die strijd voeren tegen de financiële criminaliteit,

– een einde stellen aan de herhaalde maatregelen voor fiscale amnestie.

 

5. De afkoopwet afschaffen waar de grote fraudeurs van profiteren.

 

6. Alle inkomsten samenvoegen, beroepsinkomsten en financiële en onroerende inkomsten, en deze onderwerpen aan progressieve belastingschalen.

 

7. Het aandeel van de indirecte belastingen verminderen, te beginnen met een daling van de btw op energie (6% in plaats van 21%).

 

8. De belastingschalen voor het inkomen van natuurlijke personen herzien om de progressiviteit van deze schalen sterk te verhogen, met minder hoge tarieven voor de lage en middelgrote inkomens.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014