#GoLeft3: Een sociale visie op klimaat

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

12% van de ondervraagden kruist “milieu” aan voor de top 3 van de problemen die we eerst moeten aanpakken, 8% kruist “klimaat” aan.

Vraag: “Hoe milieu en klimaat beschermen?”

Antwoord van 37% van de respondenten: “Publieke omschakeling naar groene energie”. 30% wil: “Goederentransport over lange afstand: verplicht met het spoor of de boot” en 25% wil “isolatie van alle woningen met ondersteuning van de overheid”.

 

Vaststellingen

Eén. Liever uitstootrechten in het buitenland kopen dan de CO2-uitstoot verminderen.

In het kader van het Kyoto-protocol waagde België zich schoorvoetend aan een engagement: in de periode 2008-2012 gemiddeld 7,5% minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. Dat was een povere verbintenis, een flink stuk onder wat volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) nodig is. Toch liep het met dat engagement meteen fout: alleen Wallonië wilde voor de volle -7,5% gaan. Vlaanderen hield het op -5,2% en Brussel op +3,5%. Die te lage ambities van de gewesten moest de federale overheid opvangen door de aankoop van uitstootrechten uit het buitenland.

Ook Europa heeft zich voorgenomen reducties te realiseren: tegen 2020 wil het 15% minder broeikasgassen uitstoten dan in 2005. Ook dat is weinig ambitieus, en weer geraken de verschillende overheden er niet uit welk gewest hoeveel emissies (uitstoot) moet reduceren. De federale overheid pleitte dan wel op de internationale onderhandelingen voor ambitieuze doelstellingen, maar deed er in de praktijk niet veel aan dood.

De deal tussen de gewesten heeft haar een aankoopverplichting van uitstootrechten opgedrongen.

 

Bedrijven krijgen namelijk certificaten die hun het recht geven per certificaat een bepaalde hoeveelheid CO2 uit te stoten. Dat zijn de uitstootrechten. Als ze certificaten overhouden kunnen ze die verkopen, waardoor CO2 een prijs krijgt. Met de aankoop van uitstootrechten moet de overheid de te grote uitstoot compenseren en zo de Europese normen halen.

Maar geen nood, want de prijs van die uitstootrechten stuikte in elkaar. De overheid kocht er zelfs zoveel dat ze een mooi spaarpotje kon aanleggen, om met dat spaarpotje weer nieuwe uitstootrechten aan te kopen… om die in mindering te brengen van de uitstoot in de volgende Kyoto-fase (2013-2020). Op die manier geraakt de uitstoot natuurlijk nooit onder controle: er worden uitstootcertificaten gekocht en intussen gaat de uitstoot door.

 

Hoewel Vlaanderen zelfs niet ambieerde de Belgische Kyoto-doelstelling (-7,5% ) te halen, begon de Vlaamse regering toch meteen uitstootrechten in te slaan voor een waarde van ondertussen 50 miljoen euro. Maar door de crisis daalde de Vlaamse uitstoot met meer dan de 5,2% die was vooropgesteld. Het overschot aan uitstootrechten werd geveild om met de opbrengst... nieuwe certificaten aan te kopen voor als de economie weer aantrekt.

Het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020 is ronduit teleurstellend. Al heeft Vlaanderen een grote ontwikkeling op het vlak van wetenschap en technologie, toch acht de Vlaamse regering-Peeters het niet mogelijk zelfs de bescheiden Europese doelstelling (-15% uitstoot in 2020) te halen. Daarom plant ze nu al de aankoop van buitenlandse uitstootrechten en schuift zo de vergroening van het productieproces en de investeringen in hernieuwbare energie op de lange baan.

Het Klimaatbeleidsplan beperkt de rol van de overheid tot het “creëren van de juiste stimulansen voor het bedrijfsleven en de ondernemers om te investeren in innovatie en het gebruik van koolstofarme technologieën, processen en systemen.” Er komt dus geen stappenplan en geen uitrustingsplan. Er komen alleen economische “stimulansen”. Het blijft allemaal helemaal vrijblijvend. Het beleid voor de uitbouw van een groene economie stelt dan ook niet veel voor. Er is geen plan om jaarlijks de uitstoot te verlagen. De Vlaamse regering rekent op de vrijblijvende engagementen van bedrijven, in ruil voor goedkope leningen. Ze voorziet alleen een wegentaks.

 

Twee. In de greep van de markt. Waarom Electrabel & co een groene revolutie in de weg staan.

Duurzame en betaalbare energie, het zou een grondrecht moeten zijn. Maar in Europa zijn gas en elektriciteit geliberaliseerd en geprivatiseerd: niet de samenleving bepaalt hoe wij voor onze energie zorgen, maar multinationals. In België is 85 procent van de hele stroomvoorziening in handen van slechts vier Europese energiereuzen: GDF Suez (Electrabel), EDF (Luminus), ENI (het vroegere Nuon) en RWE (Essent). Die bekommeren zich alleen om het directe, onmiddellijke nut van hun actie: winst maken. Voor de natuur hebben ze, net zoals voor de samenleving, alleen oog in functie van dat directe nut. En dat wreekt zich.

 

Zo blijft Electrabel zweren bij haar kerncentrales in Doel en Tihange. Die leveren jaarlijks 1,3 miljard euro woekerwinst op – een winst waarop Electrabel nauwelijks belastingen betaalt. Maar een oplossing voor het radioactieve afval is er niet. En heeft Fukushima niet duidelijk gemaakt hoe gevaarlijk kernenergie wel is? Toch besliste de federale regering, dat Electrabel de oude kerncentrale Tihange I nog 10 jaar langer mag uitbaten. De lusten zijn voor GDF Suez, de risico’s voor de samenleving.

 

48% van de stroom in België is groen. Op sommig papier althans. Want vergis u niet: groene stroom is nep, negen kansen op tien. Er lijkt geen vuiltje aan de lucht, nochtans. Groene stroom zit in de lift. Vandaag is er voor de verbruiker keuze zat tussen groenestroomcontracten. Goed voor het klimaat en de luchtkwaliteit? Helaas, wat leveranciers als groene stroom verkopen, komt gewoon uit de kerncentrale van Doel of de gascentrale van Jemeppe-sur-Sambre, of uit kolencentrales. Electrabel & co verpatsen grijze elektriciteit als groene stroom. Want in plaats van zelf te investeren in windmolens, biogascentrales of zonnepanelen, kopen ze groene etiketten, zogenaamde “garanties van oorsprong” aan dumpingprijzen op de internationale markt. Grijze stroom wordt groengewassen, en het is niet eens illegaal.

 

Zo komt het dat in België volgens officiële statistieken nauwelijks 7 procent groene stroom wordt geproduceerd. Het gros daarvan dan nog in biomassacentrales. In die omgebouwde steenkoolcentrales verstoken Electrabel en E.on houtpellets uit... het verre Canada. Milieuorganisaties steigeren, maar officieel levert de omstreden techniek wel degelijk “groene” stroom op – en veel winst, dankzij de forse subsidies van de Vlaamse regering.

 

In Europa wordt jaarlijks 200 miljoen megawattuur stroom groengewassen, dat is het stroomverbruik van zestig miljoen gezinnen. En België is nummer één. We zijn de grootste importeur van groene etiketten in Europa. Het gros van die etiketten komt uit Scandinavië, vooral uit de Noorse waterkrachtcentrales. Noorwegen is de groene kampioen van Europa. Met hun zeshonderd waterkrachtcentrales en windmolenparken slagen de Noren erin bijna al hun energie duurzaam op te wekken. De elektriciteit stroomt naar Noorse huiskamers, maar het groene etiket wordt met behulp van brokers, tussenhandelaars, op de internationale markt verkocht. Het is één oplichterij, pure fictie. Omdat zoveel groene certificaten aan buitenlandse stroombedrijven versjacherd worden, produceert Noorwegen officieel maar 23% groene energie terwijl elke Noor weet dat zijn stroom voor de volle honderd procent uit de waterkrachtcentrales aan de fjord en uit windmolens komt.

De groene etiketten kosten peanuts, nog geen 30 eurocent per megawattuur. Voor het pietluttige bedrag van 1 euro kunnen Electrabel & co stroom uit steenkool- of gascentrales groen kleuren. Het is veel goedkoper groene etiketten te kopen dan in België te investeren in groene stroomproductie.

 

Omdat de steenkoolprijzen in elkaar zijn gezakt en de CO2-uitstootrechten al evenzeer, investeren de energiemultinationals volop in steenkoolcentrales. Steenkool is helemaal terug van nooit weggeweest. De energiereuzen stoken steenkool dat het een lieve lust is. Dat was niet de bedoeling natuurlijk. Steenkoolcentrales stoten immers heel veel CO2 uit, en ook hoge concentraties fijn stof, stikstofoxides en zwaveloxides. Maar de uitstootrechten kosten twee keer niks. Wie kiest voor steenkool, wordt op die vervuiling nauwelijks nog aangesproken. En dus is er die comeback van het zwarte goud. De stroomdistributeurs importeren die steenkoolstroom uit Duitsland en Nederland naar België. Het is een ramp voor het klimaat.

Intussen leggen diezelfde stroommultinationals hun gloednieuwe, energiezuinige gascentrales in België stil. De ceo’s hebben namelijk hun rekening gemaakt: in vergelijking met een gascentrale brengt een kleine steenkoolcentrale per jaar bijna zestig miljoen extra in het laatje. Nee, aan de blinde wet van de maximale winst kunnen geen duizend Kyoto’s iets veranderen.

 

Intussen wassen de verzamelde gasgiganten, van GDF Suez over Shell tot Gazprom, dé nieuwe energiebron groen: halleluja, schaliegas zal voor een revolutie in de energiesector zorgen.

Maar het gezaghebbende Nature degradeert schaliegas tot een heel klimaatonvriendelijke brandstof, schadelijker nog dan steenkool. Wetenschappers waarschuwen voor grondwaterverontreiniging, schadelijke uitstoot, verstoring van de biodiversiteit en risico op aardbevingen. Verschillende Europese landen verbieden daarom de gevaarlijke winning van schaliegas. Toch heeft de afdeling geologie van de KU Leuven de eerste subsidies voor onderzoek naar schaliegas te pakken. Shell werpt al een oog op schaliegas onder de stille Kempen. Want geld kruipt waar het niet gaan kan. Dat schaliegaswinning een ecologische smeerlapperij is, wordt weggewuifd met het onverbiddelijke argument dat schaliegas op de markt veel geld opbrengt. Troep of niet, de multinationals gooien zich in de rush naar het schaliegas.

 

Waren geen dure eden gezworen dat de vrije markt het klimaat zou redden? En dat ouderwetse overheidsbemoeienissen daarom weg moesten? Beloven en houden is twee.

Wat onze politici de vrije markt noemen verbergt in werkelijkheid een grote geldstroom, van Jan Modaal naar de kassa’s van de Europese energiereuzen. Electrabel en co betalen op hun woekerwinsten nauwelijks belastingen. De regering-Di Rupo deed er zelfs nog een duit bovenop. Ze besliste gascentrales die onvoldoende winst maken bij te passen met belastinggeld.

 

Ook het groenestroombeleid van de Vlaamse regering is letterlijk en figuurlijk failliet.

Iedereen met geld heeft in de voorbije jaren in zonnepanelen geïnvesteerd, aangelokt door de Vlaamse subsidies. Liefst de helft van die subsidies gaat naar grote zonnepanelenparken. Industriëlen en zakenbankiers stampten 4721 zo’n parken uit de grond, louter als belegging. Fernand Huts van Katoen Natie bijvoorbeeld liet zijn loodsen in de Antwerpse haven vol zonnepanelen leggen, wat hem 10 miljoen euro subsidie per jaar oplevert, nog twintig jaar lang. En wie betaalt de rekening? Wij. De grootschalige zonneplantages kosten de consument 75 tot 150 euro per jaar. De Vlaamse regering heeft immers beslist dat de zonnesubsidies doorverrekend worden in de energiefactuur van de gezinnen. Iedereen betaalt dus mee. Ook de armsten, mensen die hun eigen energiefactuur niet kunnen betalen en met een budgetmeter (over)leven, betalen mee voor de panelen van miljardair Fernand Huts.

Dat de zonnesubsidies ondertussen zijn afgebouwd, verandert niks aan dat schrijnende onrecht. De Vlaamse regering wil immers niet raken aan de “verworven rechten” van de 4721 industriële zonneparken. Zij blijven twintig jaar lang subsidies trekken op onze kosten. Minister Freya Van den Bossche heeft ondertussen wel een “zonnetaks” (de zogenaamde “netvergoeding”) opgelegd aan de eigenaars van zonnepanelen. Maar de grote zonnepanelenplantages blijven buiten schot. De zonnetaks geldt alleen voor de gewone gezinnen met een bescheiden installatie van zonnepanelen op het eigen dak. De kleine eigenaars betalen vijftien keer meer dan de grote zonnepanelenparken.

 

Voor het zeegat van Zeebrugge vangen 54 hypermoderne windturbines de zeewind van het Kanaal. Hier waait de wind voor iedereen, maar de winst is voor de aandeelhouders. Want C-Power is geen instelling van openbaar nut maar een privéconsortium. Baggerbaron DEME zwaait er de plak, samen met de energiereuzen EDF en RWE. Die eisen rendement.

En weer betaalt de consument de rekening. De 54 windmolens zullen hem 108 miljoen euro per jaar kosten, berekent de energieregulator Creg. Dat is dik twee miljard op twintig jaar. Want voor elke euro stroom die een windmolenpark produceert, legt de overheid twee euro belastinggeld bij. Een beetje windmolenpark haalt zo al snel een rendement op eigen vermogen van 12%. Die subsidiefactuur dreigt fors op te lopen. Tegen 2018 moeten zeven windmolenparken operationeel zijn, samen goed voor een capaciteit zeven keer groter dan C-Power.

Wind zorgt voor winst, en die wordt voor de volle honderd procent door de samenleving betaald, via de lucratieve groenestroomsubsidies Maar waarom zouden we die windwinsten sponsoren?

Waarom houden we die windmolenparken dan niet in handen van de samenleving?

 

Drie. Gevaarlijk fijn stof. Het mobiliteitsbeleid is een ramp voor de strijd tegen vervuiling en klimaatverandering.

België en propere lucht, dat ligt moeilijk. Ons land werd al doorverwezen naar het Europees Hof omwille van te hoge concentraties aan fijn stof en riskeert hetzelfde voor stikstofdioxide.

 

Door menselijke activiteit komen allerlei schadelijke stoffen in de atmosfeer terecht: zwaveldioxide, stikstof(di)oxide, ammoniak, ozon, koolstof(di)oxide en methaangas. Ook fijn stof, zeer kleine partikels die in onze longen en onze bloedbaan binnendringen.

Dat zorgt voor long-, hart- en vaatziekten, voor kanker en problemen met het zenuwstelsel. Uit een MIRA-rapport komt fijn stof naar voor als de meest gezondheidsschadelijke milieufactor. In Vlaanderen zijn deze deeltjes verantwoordelijk voor driekwart van de totale gezondheidsschade door milieuverontreiniging. “Sporten in Antwerpen is ongezond”, luidt een van de campagnes van de actiegroep Ademloos tegen de Lange Wapperbrug en het BAM-tracé. In de Belgische steden wordt een kwart tot de helft van de bevolking blootgesteld aan te hoge concentraties fijn stof. Ook de concentratie van stikstofdioxide ligt boven de Europese standaard. Projecten als de verbreding van de Brusselse ring zijn niet van aard die emissies te verminderen.

 

Een groot deel van de uitstoot van fijn stof en chemische stoffen is afkomstig van de industrie en van de energieproductie. Het is nodig die uitstoot streng te reduceren, met de gezondheidsstandaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie als norm.

Ook verkeer en transport zorgen voor veel uitstoot, maar ook hier laat het beleid het afweten.

Brussel is wellicht de moeilijkst bereikbare stad ter wereld: een automobilist zou er gemiddeld 85 uren per jaar in de file zitten. De Vlaamse regering heeft zich vast gereden in het BAM-tracé voor de Antwerpse ring, maar blijft volharden in de boosheid.

Het aanleggen van meer baanvakken en meer autosnelwegen trekt op termijn alleen maar meer verkeer aan, een oplossing voor de files is het niet.

De regering bespaarde in verschillende begrotingsrondes fors op het spoorwegnet. De stiptheid van de NMBS zakte naar ongekende diepten, de Fyra werd een debacle, de opsplitsing tussen het beheer van de infrastructuur (Infrabel) en dat van het rollend materieel (NMBS) bemoeilijkt de goede werking. Het vrachtvervoer bij de openbare spoormaatschappijen daalde in Europa de laatste jaren met 40 procent. 10 procent werd door het privé spoorvervoer overgenomen. Het overige 30 procent werd overgeheveld naar… het wegvervoer.

Ook bij De Lijn wordt bespaard.

 

Vier. Natuurbeleid: een teleurstellende balans.

Minister Joke Schauvliege had grote plannen voor het erkennen van grote gebieden tot VEN (Vlaams Ecologisch Netwerk) en “verwevingsgebied”, met een aangepast beheer gericht op natuurbehoud. De balans is teleurstellend. Aan het huidige tempo bereiken we het objectief van 125.000 ha VEN pas tegen 2074, terwijl de deadline in… 2015 ligt. En van de 150.000 tegen 2015 beloofde hectaren verwevingsgebied is amper 4000 ha gerealiseerd.

De “boswijzer” moet de oppervlakte bos monitoren. Volgens deze boswijzer kwam er sinds 2011 8000 ha bos bij in Vlaanderen. Maar dat ligt dan uitsluitend aan de boswijzer zelf: die telt ook bomen op rotondes en in tuinen mee als bos. BOSplus, de enige organisatie in Vlaanderen die zich inzet voor bosbehoud, beter bos en meer bos, schrijft dat er tussen 2009 en 2011 netto bos verdween.

Minister Schauvliege zou ook de “zonevreemde” bossen in kaart brengen en behoeden voor de kap. Maar verder dan de voorbereiding van een plan van aanpak kwam ze niet. Intussen werden waardevolle bossen zoals het Ferrarisbos in Wilrijk gekapt.

 

De visie van de PVDA+

Het klimaat verandert. Na 200 jaar industrialisering zijn er zoveel broeikasgassen in de atmosfeer gepompt dat de aarde opwarmt. De zeespiegel stijgt, stormen komen vaker voor. De ene kant van de aardbol kent meer overstromingen, de andere kant meer droogtes. België heeft als geïndustrialiseerd land een verantwoordelijkheid voor de klimaatverandering. Het is dan ook aan ons om onze emissies zo snel mogelijk af te bouwen, om een verdere opwarming zoveel mogelijk te vermijden.

Volgens het IPCC moeten geïndustrialiseerde landen als België tegen 2020 minstens 30%, maar beter nog 45% minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. Alleen zo kunnen we de opwarming van de aarde tot 2°C beperken. Tegen 2050 moeten onze emissies 95% lager liggen dan in 1990.

De verbintenissen die België aanging, liggen daar ver onder. Onze regeringen blijven rekenen op individuele inspanningen en marktmechanismen en die brengen geen oplossing.

 

Wij geloven niet in groene fiscaliteit die mensen individueel verantwoordelijk stelt.

De groene taksen en dure vuilniszakken zijn niet efficiënt. Groene fiscaliteit gaat er immers vanuit dat burgers individueel hun gedrag gaan veranderen omwille van de dure prijs. Maar als er geen goed openbaar vervoer is, moet je de auto wel blijven gebruiken. En als er geen algemeen publiek plan is voor isolatie, zal de huurder van een sociaal appartement veel energie blijven verbruiken voor de verwarming. De groene taksen zijn ook asociaal, want iedereen, arm of rijk, betaalt evenveel en zo vergroot de sociale kloof. Het ecologische en sociale moeten samengaan. De groene revolutie zal sociaal zijn of ze zal niet zijn.

Het is moeilijk de uitstoot drastisch in te perken als beslissingen over productie en infrastructuur genomen worden door individuele bedrijven op zoek naar winst. Hoewel energiebezuinigingen op langere termijn ook voor de ondernemingen voordelig zijn, komen ze er dikwijls toch niet omdat de aandeelhouders rendement op korte termijn willen. We willen daarom de hefbomen voor een groene revolutie in handen van de samenleving leggen. Om een einde te stellen aan het uitputten van de planeet aarde is een ander economisch huishouden nodig.

De transitie van een economie op basis van fossiele en nucleaire energie naar een economie op basis van hernieuwbare energie moet zich op alle niveaus en terrein­en doorzetten: de stroomproductie, het transport, de verwarming, de CO2-uitstoot… Het zal een complex proces zijn, dat veel onderzoek en investeringen vraagt. Die transitie zal maar mogelijk zijn als ze de rug keert naar de marktmechanismen.

Onze samenleving kan een grondige make-over goed gebruiken. We hebben de technologieën. De transitie is mogelijk, en snel. Daar ligt de barrière niet. Wat we nodig hebben is een maatschappij waar internationale coördinatie en maatschappelijke planning vooropstaan, niet de kortetermijnwinst van internationale bedrijven. Waar basisbehoeften als gas en elektriciteit in gemeenschappelijke handen zijn. Waar we samen aan een duurzame toekomst kunnen bouwen, op maat van mens en milieu. Waar we het stuur van de samenleving zelf in handen nemen.

 

Om de doelstellingen van het IPCC te halen is een rigide klimaatplanning noodzakelijk, met duidelijke tussentijdse doelen en een duidelijk uitrustingsplan voor energieproductie, opslag en distributie. Met derdebetalersregelingen voor isolatie en hernieuwbare energie, of rechtstreekse investeringen vanuit de overheid.

We zetten prioritair in op duurzame energievoorziening, een comfortabel en goed uitgebouwd openbaar vervoer en de algemene isolatie van alle recente woningen.

 

Energie

Als we de opwarming van het klimaat willen tegenhouden moeten we onze energievoorziening snel en op grote schaal ombouwen. De kerncentrales moeten dicht, zoals voorzien in de wet op de kernuitstap. We moeten op grote schaal investeren in groene warmte en duurzame stroomproductie. Technologisch kan het perfect, zeker als we op Europese schaal samenwerken. Maar ook in eigen land zijn de mogelijkheden veel groter dan de schamele 7% groene energieproductie van vandaag. In een eerste fase zullen energiezuinige gascentrales nodig zijn om het tekort aan groene stroom op te vangen, maar volgens het Planbureau is het technologisch mogelijk om tegen 2050 volledig over te schakelen op duurzame energie.

Er is één probleem. Die groene revolutie is maar mogelijk als we de energiemultinationals buitenspel zetten. We moeten zelf de bakens voor de toekomst uitzetten. Als we het overlaten aan de hoofdkwartieren van GDF Suez en co, wordt het niets. De energierevolutie die we nodig hebben, dwingt ons ver vooruit te denken, voorbij de waan van de winst. We moeten als samenleving weer greep krijgen op onze energievoorziening. We willen de hefbomen van de energietransitie in eigen handen krijgen.

 

We moeten durven dromen. We willen een openbare energiesector, in handen van de samenleving. We willen een vermaatschappelijking van de stroomvoorziening. Verwarming en verlichting zijn nutsvoorzieningen, geen commerciële koopwaar. We willen groene stroom en warmte onder democratische controle van de samenleving. Energie is te belangrijk om over te laten aan de winsthonger van private multinationals.

 

In plaats van de chaos van de vrije markt, stellen wij de logica van een geplande aanpak, doelgericht en democratisch. We moeten als samenleving zelf kunnen beslissen welke energiesector we morgen willen: duurzaam en democratisch. We willen zelf een stappenplan uittekenen voor de groene revolutie. We beginnen met een verbod op de import van steenkoolstroom. We vervangen kerncentrales zo snel mogelijk door openbare groene stroombedrijven. Gloednieuwe gascentrales die vandaag gesloten worden uit winstoverwegingen moeten verplicht open blijven, op straffe van nationalisering. We hebben de gascentrales nodig zolang we niet al onze elektriciteit duurzaam kunnen opwekken. In plaats van windmolenparken, biomassacentrales en zonneplantages uit te besteden aan private multinationals investeren we als overheid zelf in openbare energiebedrijven, onder democratische controle, die groene energie produceren en goedkoop leveren aan de bevolking.

 

Om de opwarming van het klimaat tegen te gaan, en tegelijk iedereen toegang te geven tot een betaalbare en duurzame warmtevoorziening, moeten we onze verwarming, die vandaag hoofdzakelijk gebaseerd is op gas, vervangen door groene warmte. We stellen voor daar waar mogelijk stadsverwarmingsnetten aan te leggen, in openbare handen. Daarmee wordt via een buizennetwerk restwarmte van bedrijven, of warmte uit de ondergrond, rechtstreeks tot bij de gezinnen thuis gebracht. Zo bouwen we aan een klimaatvriendelijke verwarming, besparen we veel geld op aardgas en stookolie en verbeteren we tegelijk de luchtkwaliteit in onze steden.

 

Transport

België is de draaischijf van Europa, maar daar gaan serieuze kosten mee gepaard. Transport is verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de broeikasgassen, maar ook voor NO2, fijn stof en lawaaihinder. Files zorgen elke dag opnieuw voor een grote verspilling van tijd en geld. Actiegroepen hebben dat thema al aangekaart, van de Lange Wapperbrug in Antwerpen tot de verbreding van de Brusselse ring. Het beleid blijft zwaar inzetten op wegverkeer.

 

Wij zien de zaken anders: weg van de individualisering, voor collectieve oplossingen. Alleen zo kunnen we het mobiliteitsprobleem bij de wortel aanpakken.

We willen zoveel mogelijk verkeer van de weg halen. Daarvoor zijn gemeenschappelijke oplossingen nodig, in plaats van het probleem te individualiseren.

 

Het goederenverkeer moet waar mogelijk worden overgebracht naar transport per spoor of langs de waterwegen. Een mogelijkheid daarvoor is het “begeleid gecombineerd transport” (waarover in onze voorstellen meer).

Om ook het personenverkeer van de weg te halen is een omslag nodig in het openbaar vervoer. Hoewel de reizigersaantallen elk jaar toenemen, gaat er steeds minder geld naar de spoorwegen. Die besparingen moeten worden teruggedraaid, we hebben juist meer investeringen nodig. Publiek woon-werkverkeer is voor veel mensen niet mogelijk, er rijden zelfs geen bussen tussen Antwerpen en zijn haven. Op avonduren en in het weekend zijn de verbindingen schaars.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Power to the people. Energie in eigen handen.

Energie is te belangrijk om over te laten aan de vrije markt. Bij een groene revolutie is er geen plaats voor Electrabel & co. We willen de hefbomen van onze toekomst zelf in handen krijgen. We pleiten voor de vermaatschappelijking van de energiesector. In plaats van GDF Suez, RWE, EDF en ENI willen we een openbare energievoorziening, in handen van de samenleving en onder democratische controle. Alleen op die manier kunnen we de chaos van de vrije markt vervangen door de geplande uitbouw van een duurzaam energiesysteem.

 

2. Publieke energiebedrijven voor groene energie.

We willen de oprichting van openbare energiebedrijven. De overheid versluist nu het belastinggeld naar de energiereuzen. We willen dat de overheid zelf investeert in duurzame energieproductie en goedkope groene energie levert aan de bevolking.

 

Wie vandaag investeert in de duurzame energie van morgen moet een brede visie hebben. We pleiten voor een nationaal toekomstplan voor groene energie, en voor energiebedrijven voor groene stroom op nationaal niveau. Democratische controle is daarbij cruciaal. De raad van bestuur wordt niet politiek benoemd, maar verkozen door de consumenten, en ook milieuorganisaties en vakbonden zijn vertegenwoordigd. Burgers hebben spreekrecht en alle bestuursvergaderingen zijn openbaar en worden live uitgezonden op het internet.

 

Daarnaast kunnen ook stadsbedrijven voor groene energie een waardevolle bijdrage leveren, door lokaal op kleine schaal mee te bouwen aan het energiesysteem van morgen. We pleiten ook voor een Europees windmolenpark in de Noordzee, in openbare handen en onder controle van de samenleving.

Publieke energiebedrijven zijn geen utopie. Meer dan 60 Duitse steden hebben de voorbije jaren stroommultinationals die lokaal de plak zwaaiden, de deur gewezen en eigen stadsbedrijven opgericht. In München levert een stadsbedrijf betaalbare groene stroom aan 95 procent van de bevolking. De Duitse stadsbedrijven tonen in het klein dat het wel degelijk anders kan.

 

3. Voor het aanleggen van centrale stadsverwarmingsnetten.

Warmtenetwerken voor huisverwarming, sanitair water, serreverwarming en, omgekeerd, voor afkoeling zijn een gekende en doeltreffende technologie die ook Europa naar voor schuift. Die warmtenetwerken kunnen worden gevoed met restwarmte van de industrie, afvalverbranding of elektriciteitsproductie, maar er kan ook gewerkt worden met warmtepompen op elektriciteit van hernieuwbare bronnen.

Om rendabel te zijn, moet centrale stadsverwarming uiteraard op grote schaal en gemeenschappelijk georganiseerd zijn. Moderne warmtenetwerken kunnen tientallen kilometers bestrijken.

Warm water kan ook gemakkelijk over langere perio­des in goed geïsoleerde tanks opgeslagen worden. Dan is het ook een vorm van opslag van hernieuwbare energie. Een dankbare oplossing voor overmatige piekproductie bij zonnig of winderig weer.

 

De goede voorbeelden komen ook hier uit het buitenland. In Denemarken wordt 62% van de huizen verwarmd via warmtenetwerken, in Polen 50%, in Zweden 42%. De Deense hoofdstad Kopenhagen (1,6 miljoen inwoners) is in de afgelopen jaren vrijwel volledig overgeschakeld op stadsverwarming. Meer dan 90% van de huishoudens is erop aangesloten.

 

4. Tegen de luchtvervuiling: een masterplan voor de ontwikkeling van openbaar vervoer. We moeten een groot ontwikkelingsplan uitwerken voor het openbaar vervoer. Trein, metro, tram en bus moeten aantrekkelijker worden dan de auto, vooral in de steden.

Het openbaar vervoer moet ook veel regelmatiger rijden en comfortabeler en goedkoper zijn. Toen Zweden de ticketprijs halveerde, verdubbelde het reizigersaantal. Gratis openbaar vervoer van de tram in het Franse Aubagne zorgde voor een stijging van het reizigersaantal met 170%.

 

Om de luchtvervuiling te bestrijden willen we werken in de richting van autovrije stadskernen. We kiezen ook resoluut voor meer ruimte voor de fiets. Stadskernen zijn te vaak nog een jungle waar met de fiets niet door te komen is. We moedigen het fietsen aan door aparte fietspaden, “fietsostrades” en de installatie van overdekte fietsenstallingen. Autovrije stadskernen moedigen het wandelen en het gebruik van fiets en openbaar vervoer aan.

Elektrische fietsen zijn een volwaardig alternatief vervoermiddel.

 

Ten slotte willen we niet alleen over onze vervoersmiddelen nadenken, maar ook over de infrastructuur. Stadskankers als de Antwerpse ring moeten snel worden overkapt. Zo creëren we nieuwe ruimte, houden we de schadelijke emissies uit de woonwijken en dijken we de lawaaihinder in.

 

5. Goederentransport over lange afstand: verplicht met het spoor of de boot.

We willen prioriteit geven aan het transport met het spoor of de boot, omdat het minder schadelijk is voor het milieu. En dus ijveren we voor publieke investeringen daar. Goederentransport over lange afstand moet verplicht met containers langs spoor- of waterwegen. Het transport over de weg is vandaag alleen maar “goedkoper” omdat de gemeenschap de kosten betaalt van de wegenaanleg en het wegenonderhoud, en van de milieukosten.

We kunnen die omslag maken indien we de markt niet langer laten beslissen over het transportbeleid.

 

“Begeleid gecombineerd transport” is een manier van goederentransport die al in verschillende landen wordt toegepast. De RoLa (Rollende Landstrasse) in Oostenrijk en Duitsland, en de RA (Rollende Autobahn) in Zwitserland zijn op dat concept gebaseerd: vrachtwagens rijden gewoon de trein met aangepaste wagons op en worden zo via het spoor vervoerd. De chauffeurs nemen plaats in slaap- of zitwagons en rijden vanuit het eindstation verder met de vrachtwagen.

In een ander, meer ecologisch concept brengen de vrachtwagens containers naar een spoorwegpunt A. De containers worden op een spoorwegpunt B dan weer gerecupereerd.

Studies tonen aan dat de CO2-emissies via het spoor 80 tot 93% lager liggen dan bij wegtransport, en uitstoot van fijn stof 61 tot 80% lager, met ook lagere emissies van NO2 (-96%), SO2 (-59%) en CO (-83%).

 

6. Isolatie van alle recente woningen met ondersteuning van de overheid.

Bij 7 op 10 van de Vlaamse woningen kunnen nog grote energiebesparingen worden gerealiseerd. Toch blijft het beleid enkel inzetten op premies en belastingvrijstellingen voor gezinnen die isolatiewerken uitvoeren. Die komen uiteraard vooral ten goede aan wie zich verbouwingswerken kan permitteren. Voor huurders zijn ze al helemaal nutteloos. In plaats van publieke middelen naar private eigenaars over te hevelen, hebben we een grootschalig isolatieplan nodig, met een derdebetalersregeling. Daarbij schiet de overheid de kosten voor de renovatie voor, geld dat later wordt terugbetaald via de besparing op de energiefactuur.

Voor de oudste gebouwen, waar isolatie zo goed als niets opbrengt in termen van energiebesparing, willen we zoveel mogelijk andere vormen gebruiken voor de recuperatie van de verloren energie.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014