#GoLeft21: Veilig voedsel aan een faire prijs

Vaststellingen

Eén. De liberalisering van het landbouwbeleid heeft geleid tot grillige prijsschommelingen.

Ons landbouwbeleid is sinds 2001 een bevoegdheid van de gewesten. Maar dat beleid wordt volledig bepaald door het Europese bestuursniveau. Sinds de jaren 90 wordt dat beleid stelselmatig ontmanteld en overgelaten aan de markt: de prijs van basisproducten – de prijs die de boeren krijgen voor hun melk, graan, vee… – werd teruggebracht tot op het niveau van de wereldmarkt en allerlei beschermingsmechanismen voor onze boeren werden afgeschaft. Deze liberalisering heeft geleid tot prijsschommelingen naargelang de grillen van de markt. Die schommelingen lokken speculanten en kunnen, zoals in 2007, tot snel stijgende voedselprijzen leiden.

 

Twee. De landbouwers hebben structureel af te rekenen met een te laag en onzeker inkomen.

Door de prijsschommelingen van de voedingsgrondstoffen nemen de voedingsindustrie en grootwarenhuizen hun voorzorgen en eisen ze grotere marges, vooral bij lage prijzen. Gevolg is dat de landbouwers een te laag en heel onzeker inkomen hebben. Almaar minder mensen werken in onze landbouw.

 

Niet alle schakels in de voedselketen hebben dezelfde economische macht. De boeren verkopen hun grondstoffen aan de voedingsindustrie, die op haar beurt contracten afsluit met de grootwarenhuizen. De grootwarenhuizen hebben de grootste marktmacht. In ons land beheersen vijf supermarkten 71% van de omzet van voedingsmiddelen. Die grootwarenhuizen voeren onderling een strijd om de grootste marktaandelen. Het lokken van klanten via lage prijzen voor basisvoedsel is een van hun strategieën. Maar daardoor zetten ze ook een grote druk op hun leveranciers uit de voedingsindustrie, die op hun beurt zo laag mogelijke prijzen betalen voor wat ze bij de landbouwers en boeren aankopen.

 

Drie. Uitbuiting van de werknemers in de voedingsketen en onbetrouwbare kwaliteit van de voeding.

De voedselketen is hoe langer hoe meer wereldwijd vertakt. De voedingsindustrie schakelt traders in, die koortsachtig op zoek zijn naar de goedkoopste handelstransacties, waar ook ter wereld. Maar goedkoop betekent uitbuiting van de werknemers in de voedingsketen en onbetrouwbare kwaliteit van de voeding. Vandaar het paardenvleesschandaal, de onderbetaalde werknemers in de (Duitse) vleesindustrie en de uitgebuite arbeiders in de ananasplantages van Costa Rica, waar het gros van onze ananassen vandaan komt.

Ook stroomopwaarts, dus nog voor de fase van de landbouwproductie zelf, wordt de keten gedomineerd door een klein aantal multinationals: producenten van chemische meststoffen, pesticiden en zaden.

Ingevoerd sojaschroot uit Brazilië, Argentinië en de VS wordt als grondstof gebruikt door de veevoederbedrijven rond de invoerhavens waarvan veehouders afhankelijk zijn.

 

De visie van de PVDA+

Een landbouwbeleid is nodig om een goede voedselvoorziening te garanderen: kwantitatief, kwalitatief en qua prijs. De productie en de distributie van die voedselvoorziening moeten zo milieuvriendelijk mogelijk gebeuren. Wij willen daarbij de nadruk zien liggen op gezonde voeding die toegankelijk is voor iedereen.

De reële behoeften moeten vooropstaan en niet de winstdoelstellingen van de zakenwereld en van de agro-industrie. In functie van de behoeften en van de opbouw van voorraden, worden dan de productie en handel van de landbouwproducten gereguleerd. De internationale handel in landbouwproducten, in het bijzonder met de derde wereld, moet een eerlijke handel zijn. Exportprogramma’s moeten kaderen in handels- en samenwerkingsakkoorden en mogen de voedselveiligheid en de economie van het land van bestemming niet schaden.

 

Wij willen stabiele prijzen voor de landbouwproducten. Die prijzen moeten de productiekosten van een middelgroot landbouwbedrijf weerspiegelen. Daarin inbegrepen alle kosten die nodig zijn voor een goed sociaal statuut van de landbouwers, een goede kwaliteit van de voeding en een milieuvriendelijke productie.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Wettelijk afdwingbare transparantie in alle schakels van de voedselketen. Leg wettelijke gedragscodes en lastenboeken vast voor alle fasen van de voedingsproductie, van grondstof tot eindproduct en dit voor de economische, sociale en ecologische aspecten van de productie. Maak voldoende middelen vrij voor die controles en leg sancties op in geval van inbreuken.

 

2. Voldoende en gezonde voeding is een basisbehoefte en moet toegankelijk zijn voor iedereen. Maak een einde aan de manipulatie van de indexkorf: de index van consumptieprijzen moet de prijzen bevatten van een gezond voedingspakket.

 

3. Rationalisering, centralisering en verdere onafhankelijke uitbouw van de onderzoekscentra voor landbouw, tuinbouw en veeteelt. Deze centra zijn nu te veel verspreid over de verschillende bevoegdheidsniveaus. De basisvisie ervan moet duurzame landbouw zijn. Geen onderzoek of promotie in dienst van multinationals die chemische productiemiddelen (pesticiden) en (genetisch gemanipuleerde) zaden verkopen.

 

4. Promotie door de overheid van samenwerkingsvormen zoals coöperatieven in de landbouw- en voedselproductie, met betrokkenheid van de consument. Grotere oriëntatie naar lokale voedselproductie- en handelscircuits.

 

5. Duurzame en faire voeding in personeelsrestaurants van de overheden, inbegrepen de overheidsbedrijven, gemeenschapsscholen… (voorbeeldfunctie).

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014