#GoLeft2: Maak jacht op de werkloosheid, niet op de werklozen

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

28% van de ondervraagden vindt dat “werk” tot de top 3 behoort van de problemen die we eerst moeten aanpakken. Als eerste eis bij de vraag “Hoe armoede voorkomen?” komt: “Geen jacht op de werklozen, maar op de werkloosheid.”
Ook voor het thema “Toekomst voor de jeugd”, dat 21% van de mensen aankruist als een thema voor de top 3, staat “werk” als eerste eis: “Recht op werk. Vaste banen met een degelijk loon.” (59%)

Op de vraag “Hoe werk voor iedereen garanderen?” kruist 43% aan: “Vervang oudere werknemers door jongeren in plaats van de pensioenleeftijd te verlengen”. 29% is voorstander van “Bijkomende jobs creëren in de openbare sector: gezondheidszorg, onderwijs, openbaar vervoer, belastingsadministratie...” (met de opbrengst van de miljonairstaks). En 21% wil “winstgevende grote bedrijven verbieden om mensen af te danken.”

 

Vaststellingen

Eén. Het hoofdprobleem voor de tewerkstelling is het tekort aan arbeidsplaatsen. In Brussel concurreren 48 mensen voor 1 job, in Vlaanderen zijn dat er 10 voor 1 job. Gemiddeld voor ons land: 17 voor 1 job. In oktober 2013 waren er amper 35.500 werkaanbiedingen voor in totaal 595.000 werkzoekenden: 1 werkaanbieding voor 17 werkzoekenden.

De dienstencheques – onzeker werk dat zwaar is gesubsidieerd door de overheid – waren de afgelopen jaren het belangrijkste kanaal waarlangs er nieuwe jobs bijkwamen. Tellen we die even niet mee, dan ligt de totale betaalde tewerkstelling in 2013 maar net op het niveau van 2008: er zijn bijna 3,67 miljoen jobs.

 

Twee. De regering verplicht de ouderen langer te werken... De regering-Di Rupo bouwde het brugpensioen verder af en ze trok de leeftijd voor vervroegd pensioen op van 60 naar 62 jaar. Vanaf 2015 is 40 jaar loopbaan vereist voor brugpensioen op 60 jaar. De duur van de loopbaan die recht geeft op vervroegd pensioen trok de regering op van 35 naar 40 jaar (voor werknemers en zelfstandigen) en van 5 naar 40 jaar voor ambtenaren.

Ouderen worden langer aan het werk gehouden terwijl de jongerenwerkloosheid de pan uitswingt.

En alle traditionele partijen willen, na de verkiezingen, vervroegd pensioen helemaal ontmantelen, de duur van de beroepsloopbaan nog meer verlengen en voor sommigen de wettelijke leeftijd voor pensioen zelfs optrekken van 65 naar 67 jaar.

 

Drie. ...en laat jongeren op de werkloosheid staan of dringt ze onstabiel werk op. Een op vijf jongeren in België is werkloos. In Gent en Antwerpen is dat een op vier en in Brussel meer dan een op drie.

Hun situatie is heel kwetsbaar: twee op de vijf doen een “inschakelingsstage” en hebben helemaal geen inkomen en nog eens twee op de vijf ontvangen alleen maar de minimum inschakelingsuitkering. (Voor samenwonenden is dat 234 euro voor -18 jarigen en 373 euro vanaf 18 jaar.)

Erger, een op de acht jongeren heeft geen job, volgt geen opleiding en heeft ook geen diploma middelbaar onderwijs. Een verloren generatie.

 

Het beleid legt de volle verantwoordelijkheid voor die toestand bij de jongeren zelf, al is er gewoonweg niet genoeg werk. De regering maakte de sancties na een negatieve evaluatie van de VDAB strenger. Je moet als jonge werkloze aan almaar meer voorwaarden voldoen, je aanmelden voor meer gesprekken, meer documenten kunnen voorleggen. De laaggeschoolden en de slachtoffers van discriminatie op de arbeidsmarkt, die het al het moeilijkste hebben, gaan er het eerst de gevolgen van voelen.

Ook de jongeren die een inschakelingsstage doen, die dus zelfs nog geen enkele uitkering ontvangen, worden geviseerd. Er zijn twee controles ingevoerd: in de 7e en in de 11e maand van de stage. Je moet twee positieve evaluaties krijgen om op het einde van de 12e maand recht te hebben op de inschakelingsuitkering. Voor heel wat jongeren zal dat leiden tot nog maar eens uitstel voor ze recht hebben op een uitkering. De federale regering heeft deze besparing al begroot op 61,8 miljoen euro. Dat stemt overeen met 15.000 jongeren die hun stage met minstens 6 maand verlengd zien, zo becijferde het ACV.

 

Zo komen werklozen in een heel onzekere situatie zodat ze zich verplicht zien eender welke job te aanvaarden. Daardoor neemt de druk op de lonen en arbeidsvoorwaarden toe. Eén werkende jongere op vier heeft deeltijds werk en bijna een op drie heeft een tijdelijk contract. De regering-Di Rupo pushte dat type onzeker werk door de uitbreiding van het begrip “interimwerk”. Tot 1 september 2013 kon een werkgever alleen maar contracten voor uitzendkrachten tekenen om vaste werknemers tijdelijk te vervangen, om het hoofd te bieden aan een tijdelijke productieverhoging en voor een aantal uitzonderlijke omstandigheden. Maar nu mag hij mensen ook met een interim-contract aanwerven “voorafgaand aan een eventuele vaste aanwerving”. Die bredere invulling zal leiden tot een forse stijging van de uitzendarbeid.

Een onderzoek van het ABVV wees uit: twee derde van de interimarissen krijgt na afloop geen contract van onbepaalde duur. Interimarbeid is geen opstap naar meer vast werk. Het is omgekeerd: meer en meer vast werk verandert in interimarbeid. “Hoe kan je dan nog zelfstandig aan je leven beginnen bouwen, een gezin stichten, een lening aangaan om een huis te kopen?” vraagt de KAJ zich af in zijn zwartboek interimarbeid.

 

Een andere zekere weg naar onzeker werk is de aanwas van de bedrijfsstages. Terwijl er gewoon niet voldoende banen zijn, houdt het beleid vol dat het hoofdprobleem is dat de opleiding van jongeren en de behoeften van de markt slecht op elkaar zijn afgestemd. Anders gezegd: de jongeren zijn niet goed of niet voldoende opgeleid. Terzijde, ondernemingen voldoen nauwelijks aan de helft van hun wettelijke verplichtingen inzake investeringen in opleiding (1,9% van de loonmassa). Maar erger nog, de bedrijfsstages zijn dikwijls een nauwelijks verholen manier om spotgoedkoop personeel aan te werven. De minister van Werk Monica De Coninck wil 10.000 stages creëren waarvoor werkgevers een loon van 1,3 euro per uur betalen – bovenop de inschakelingsuitkering door de overheid. Als dat geen buitenkansje is! Carrefour verheugde zich erover dat het in Brussel jongeren bijna gratis kan aanwerven.

Deze stages zijn een vorm van onderbetaald werk, zwaar gesubsidieerd en zonder enige verplichting voor de werkgever. Ze vormen eerder een rem dan een springplank voor werk: ze kunnen in de onderneming echte, stabiele jobs vervangen.

Beetje bij beetje krijgen we hier zo het Duitse model van de mini-jobs. En de jongeren zijn daarbij het proefkonijn.

 

Vier. De enen zijn wanhopig op zoek naar werk, de anderen werken zich kapot door het helse tempo en de flexibiliteit. Terwijl honderdduizenden mensen zitten te nagelbijten, is de Belgische werknemer wel nog altijd de meest productieve op de Europese scene. België loopt aan de kop van het klassement qua productiviteit, met een mediaan van 239.000 euro gerealiseerd zakencijfer per fulltime equivalent.

Het helse tempo en de flexi-jobs bieden meteen ook een verklaring waarom de Belgische werknemer dikwijls ziek is voor zijn 65e. Bijna de helft van de werknemers tussen 55 en 65 heeft aandoeningen van het spierstelsel, het beendergestel of de gewrichten. Er is veel RSI (van het Engelse Repetitive Strain Injury): beschadiging door fysieke overbelasting.

Veel mensen zijn gewoon “op”: stress, overspanning, burn-out, depressie. Stress op het werk en de gezondheid spelen volgens een onderzoek van de Vlaamse regering een belangrijke rol in de beslissing om eventueel vervroegd op pensioen te gaan, als werknemers hiervoor kunnen kiezen. 50% vindt dat zijn werk te zwaar is geworden. Dat onderzoek geeft ook aan dat bij ons veel meer mensen dan in onze buurlanden af te rekenen krijgen met problemen van stress op het werk.

Het opgedreven werkritme, de repetitieve handelingen, de onaangepaste werktijden, de onzekerheid door interimarbeid en allerlei nieuwe arbeidsomstandigheden veroorzaken de nieuwe stressziekten. Mensen staan onder constante tijdsdruk. We hebben meer uurwerken en tijdmeters dan ooit maar we hebben geen tijd meer. Vroeg of laat kan het lichaam die druk niet meer aan en breekt de weerstand.

 

Toch liet de regering-Di Rupo in 2013 een wet stemmen die het mogelijk maakt het aantal overuren uit te breiden: van 65 naar 143 uur per jaar. Dat is gemiddeld 3 overuren per week.

De regering vergemakkelijkt ook de “annualisering” van de arbeidstijd: dan mag de werkgever je de ene periode wat meer en de andere periode wat minder uren laten werken, zolang het gemiddelde maar gerespecteerd wordt. Sinds de nieuwe wet volstaat één akkoord met de vakbondsvertegenwoordigers over die annualisering op paritair niveau om ze automatisch op te nemen in het arbeidsreglement van iedere onderneming die onder dat paritair niveau valt. Vroeger moest die wijziging van het arbeidsreglement in ieder bedrijf unaniem goedgekeurd zijn door de ondernemingsraad vooraleer ze in dat bedrijf kon gelden. Allemaal zaken die de stress op het werk verergeren.

 

Vijf. De regering geeft het slechte voorbeeld: ze schrapt veel overheidsbanen. De regering dankt mensen af en laat massaal veel jobs “uitdoven”: bij de spoorwegen, bij de post, bij financiën, bij de stadsdiensten en ga zo maar door. Op alle overheidsniveaus is er een personeelsinkrimping. De regering vervangt nog maar een op de drie vrijgekomen posten. Vooral de minst gekwalificeerde jobs verdwijnen, dat tast de kansen voor laaggeschoolden om werk te vinden nog maar eens aan.

– In vijf jaar tijd is het aantal federale ambtenaren gedaald met 5,5%, meer dan 4500 banen gingen daar verloren.

– Het aantal Vlaamse ambtenaren ging in die periode met 1500 omlaag en in 2014 mogen we daar nog eens 1400 bijtellen.

– De daling zal zich met de hervorming van het openbaar ambt van staatssecretaris Hendrik Bogaert en minister Geert Bourgeois doorzetten.

 

– Bij de steden en gemeenten in Vlaanderen staan volgens een studie van de ACV 25.000 banen op de helling. Zo staan in Antwerpen 1420 banen op de tocht vooral bij de groendienst, de huisvuilophaling en de ZNA ziekenhuizen. Veel onderhoudsbanen en technische banen, waar laaggeschoolden terechtkonden, verdwijnen.

 

– Bij de overheidsbedrijven ging ook heel wat tewerkstelling verloren: op tien jaar verdwenen bij de post meer dan 7000 banen, en bij de NMBS ook.

 

Zes. De regering subsidieert ondernemingen die banen schrappen. Ze maakt het voor de werkgevers gemakkelijker personeel te ontslaan.

Het beleid staat in functie van het concurrentievermogen en de ontwikkeling van de grote transnationale bedrijven. De overheid laat de grote ondernemingen naar believen handelen. Ze heeft een groot deel van haar bevoegdheid om tussen te komen, afgestaan. De EU zet dat beleid op de sporen, de Belgische en Vlaamse regering volgen het nauwgezet op.

De overheid probeert investeringen aan te trekken, vooral uit het buitenland, maar tegelijk mogen die ondernemingen weer met de noorderzon verdwijnen als hen dat goed uitkomt. Opel Antwerpen, Ford Genk en ArcelorMittal: veel officieel gelegenheidsprotest komt er niet bij belangrijke herstructureringen en sluitingen. Potentiële nieuwe investeerders zouden zelfs de minste beperking als een negatief signaal kunnen opvatten, is de redenering. Multinationals hebben carte blanche: ze gaan en staan waar ze willen.

“Ai, ai, ai… ik ben machteloos,” zei Vlaams minister-president Kris Peeters over Ford Genk. “Op zijn knieën is een mens altijd machteloos,” antwoordde vakbondsafgevaardigde Gaby Colebunders. Werknemers zijn geen wegwerpzakdoeken. Weet minister-president Peeters niet dat in veel landen de wetgeving op ontslagen veel strenger is? In Nederland bijvoorbeeld moeten bedrijven aan objectieve criteria beantwoorden om tot collectief ontslag (“bedrijfseconomisch ontslag”) te kunnen overgaan. Een van die criteria is dat ze verlieslatend zijn. In Duitsland heeft de vakbond een soort vetorecht in de ondernemingsraad bij grote herstructureringen. Maar Peeters en zijn coalitiepartners doen hier alsof hun neus bloedt. Ondanks de golf van ontslagen in winstgevende bedrijven als Ford, ArcelorMittal, Caterpillar en AB InBev, is er nog altijd geen enkele wet die sancties kan opleggen aan bedrijven die personeel ontslaan of sluiten, nadat ze subsidies en fiscale cadeaus ontvingen.

Vergelijkende Europese studies, die met verscheidene factoren rekening hielden, zoals de opzegtermijnen, de ontslagvergoedingen, de ontslagprocedures, de verplichte motivering van het ontslag enzovoort toonden in 2009 dat België met een cijfer 10 een van de landen in Europa is waar de werkgever het gemakkelijkst kan ontslaan. Frankrijk en Duitsland hadden een cijfer 40 en Nederland het cijfer 70 en het gemiddelde voor de OESO-landen was 26.

 

De European Restructuring Monitor (ERM) berekent de belangrijkste herstructureringen in de Europese lidstaten. Deze monitor heeft een database van 16.000 grootschalige herstructureringen – elk met minstens 100 verloren gegane of nieuwe arbeidsplaatsen. Het aantal herstructureringen met verlies aan arbeidsplaatsen is dubbel zo groot als die met jobcreaties.

Bij ons hebben in de laatste tien jaar 28 grote herstructureringen een gecumuleerd verlies van 58.000 arbeidsplaatsen teweeggebracht: bij multinationals maar ook bij (half) openbare bedrijven.

Omgekeerd komt de monitor bij ons tot amper 28.713 nieuwe banen door herstructureringen. Het gaat dan om 800 banen bij KBC in 2006; 2300 bij Fortis Bank en 2000 bij Suez in 2007; 1800 bij de NMBS in 2009; en 800 bij de MIVB in 2012. Voor de banken gaat het over de periode vóór de bankencrisis. Nadien zagen ze zich verplicht zeilen te strijken. Overheidsbedrijven moeten de strenge begrotingseisen respecteren: ze hebben banen gecreëerd, maar er vervolgens andere geschrapt.

 

De federale en gewestelijke regering blijven de grote ondernemingen intussen in de watten leggen.

De studiedienst van de PVDA+ berekende dat duizend Belgische ondernemingen die in 2012 gezamenlijk een winst realiseerden van 50 miljard euro, daarop slechts 6,17% belasting betaalden.

Ze konden zo genieten van een belastingkorting van 14 miljard euro.

Die lui hebben het dan over belastingen als over “een ramp voor het investeringsklimaat”. Het tegendeel is waar. Scheppen die aftrekken nieuwe banen? Het antwoord is: neen. De tewerkstelling in 2012 bij de duizend betrokken ondernemingen vertoonde een daling van het aantal personeelsleden met 7%, goed voor een verlies van 19. 646 voltijdse banen.

Vervolgens is er de daling van de sociale bijdragen van werkgevers, waarmee die hun engagementen voor de sociale zekerheid voortdurend afbouwen. De teller van die daling staat vandaag al op 5,03 miljard euro. Daarnaast zijn er de loonsubsidies via een verlaging van de bedrijfsvoorheffing voor overuren, nachtwerk enzovoort. Die lopen al op tot 2,7 miljard euro. De econoom Frédéric Panier heeft aan de Kamer uitgelegd dat volgens internationale studies al deze verlagingen zo goed als geen invloed hebben op de tewerkstelling. Het zijn gewoon cadeaus waarmee de bedrijven hun winsten vergroten en hun positie op de aandelenmarkt verbeteren.

 

Daar bovenop zwakte de federale regering de bescherming van werknemers bij ontslag af. Met de hervorming van het statuut arbeiders-bedienden kan een werkgever een bediende tot 40% goedkoper ontslaan. De verlenging van de vooropzeg voor arbeiders in het nieuwe statuut, zal dan weer grotendeels betaald worden door de staat.

 

De visie van de PVDA+

Er wordt dikwijls gezegd dat de brand van de financiële crisis is overgewaaid naar de reële economie, maar dat klopt niet. Het is andersom. Het begon allemaal in de reële economie, in de productie van goederen en diensten. De crisis van overproductie werd tijdelijk ondergesneeuwd door financiële bubbels. Toen die uiteenspatten, kraakte het systeem in zijn voegen.

Crisissen zitten ingebakken in het kapitalistische systeem. In de markteconomie wil elk bedrijf zoveel mogelijk winst maken. Dat is nodig om er opnieuw mee te kunnen investeren en zo nog meer winst te maken. Of een bedrijf zijn kapitaal voortdurend verhoogt, bepaalt of het overleeft of ten onder gaat. Zo ontstaat een wedloop: het meeste kapitaal opstapelen, meer investeren, grotere innovaties en zich sneller afstemmen op de conjunctuurveranderingen. In dat concurrentiemechanisme gaat elk bedrijf op zoek naar de laagste productiekost. Omdat alle bedrijven dat doen, stijgt de productie en daalt intussen de koopkracht. Dat moet wel eens openbarsten. Dat is een inherente tegenstelling. Het streven om aan de aanbodzijde kapitaal op te stapelen en meer te kunnen produceren, botst aan de vraagzijde met de achteruitgang van de koopkracht.

Ook vandaag herstructureren en sluiten de bedrijven en miljoenen mensen hebben plots geen arbeidsinkomen meer. De bedrijven werden “lean & mean”, slank en gemeen. Slank, dat is de keurige term waarmee in bedrijven hele takken worden geschrapt of uitbesteed aan contractors en onderaannemingen. De bedrijven werden lean & mean en de winsten groeiden weer naar duizelingwekkende hoogten. Nee, het kapitalisme kan geen fundamenteel antwoord bieden op het probleem van werk.

 

Wat is dat voor een maatschappij die mensen laat werken aan een loon waarmee ze niet rondkomen, aan een hels tempo en op uren die alleen de baas uitkomen? Hoe kan het dat de enen te weinig werk hebben, en de anderen te veel? Hoe kan het dat de ouderen langer moeten werken en de jongeren niet aan de slag kunnen? Hoe kan het dat mensen in de fleur van hun leven gedwongen worden tot nietsdoen? Wanneer de arbeidskracht, die zorgt voor de welvaart van de samenleving, zo verkwanseld wordt, hebben we een maatschappijprobleem.

 

Het is allemaal irrationeel. Hoe kan de regering volhouden dat ze onze tewerkstelling verdedigt, als de staat zoveel werkgelegenheid vernietigt? Waarom cadeaus blijven geven om de bodemloze putten van grote multinationals te vullen in de hoop op die manier werk te scheppen, en niet investeren in openbare tewerkstelling? Waarom ontslaan gemakkelijker maken en geen sancties opleggen aan bedrijven die ontslaan?

De logica van de competitiviteit die door onze regeringsleiders verdedigd wordt, leidt naar onzekere jobs, geblokkeerde lonen en slechte werkomstandigheden. Dat zal de crisis nog verergeren en de toekomst van een hele generatie kapotmaken.

Dat de multinationals moeten kunnen komen, maar even snel weer moeten kunnen vertrekken, heeft geleid tot een industriële teloorgang: het staal en de automobielsector, de textiel en het glas, de scheepswerven en de verwerkende industrie, sectoren die ons in het verleden naam en faam bezorgden, zijn grotendeels verdwenen. Dat is niet zomaar een verschuiving, maar een vernietiging waarvoor niets in de plaats komt. Het leidt tot een afbouw van de export en een slechtere handelsbalans.

 

De Belgisch beleidsmakers willen het land economisch vasthaken aan de Duitse locomotief, aan het land dat het meest exporteert en over de sterkste economische relaties beschikt. Dat is heel gevaarlijk. Onze overheid heeft daarmee geen controle meer over het gebeuren, afhankelijk als ze is van de Duitse resultaten. De regionale verschillen tussen noord en zuid van het land zijn daarbij in feite zeer klein.

Een kaarsje branden voor de Duitse groei, meer stelt de Belgische kortetermijnstrategie niet voor. Wij stellen een totaal andere strategie voor. Een actieve strategie die vertrekt van echte openbare diensten voor de bevolking. Daar zijn én de werkgelegenheid én de bevolking mee gebaat.

 

Die strategie legt ook opnieuw de kwestie van de herverdeling van het beschikbare werk op tafel. We produceren meer met minder mensen. We kunnen het beschikbare werk verdelen en daarbij de koopkracht behouden. Op de eerste plaats door een betere verdeling tussen de generaties waarbij ouderen het werk kunnen doorgeven. Maar ook door een verdeling van de productiequota tussen de verschillende sites van eenzelfde multinational in plaats van een aantal sites te sluiten en een andere site dan weer een hels ritme op te leggen.

 

Onze jongeren hebben recht op een stabiele toekomst. Interimwerk moet de uitzondering zijn en vast werk de regel. Als de maatschappij niet voldoende werk biedt, moet ze het recht op sociale zekerheid integraal garanderen. Activering mag niet agressief sanctionerend zijn maar moet emanciperend zijn en je de kans bieden je via het werk in de maatschappij te integreren.

 

Met massaal veel fiscale cadeaus en subsidies mikken op het scheppen van werk in de privésector, nee, dat werkt niet. In de plaats daarvan mikken we op het creëren van werk bij de overheidsdiensten. De regering mag de mensen die getroffen worden door de werkloosheid niet langer in de kou laten staan. Bij de bankencrisis werd de vrije markt opzijgezet om in te grijpen tegen “de hebzucht van de bankiers”, zoals de regering het toen zelf noemde. Bij de economische crisis moet de vrije markt ook maar een stapje opzij, en moet de regering doortastend ingrijpen om jobs te beschermen tegen “de hebzucht van de industriële patroons” en zelf banen creëren.

91% van de ondervraagden in onze verkiezingsenquête gaat helemaal akkoord of eerder akkoord met de stelling: “Om de crisis te bestrijden moet de overheid ingrijpen in de economie. Ze moet vertrekken van de behoeften van de mensen, niet van de winst”.

En dat begint bij het scheppen van banen bij de overheid. Er zijn enorme noden, bijvoorbeeld op het gebied van milieubescherming, sociale huisvesting, isolatie van gebouwen, energie, gezondheidszorg, onderwijs... De werknemers en syndicalisten van deze sectoren schuiven deze behoeften zelf naar voren. We willen dat er een slagvaardig plan komt, te financieren met de opbrengst van de miljonairstaks.

 

Ten slotte, de arbeiders bij InBev hebben in 2009-2010, bij hun staking tegen de verplaatsing van 450 banen naar Oost-Europa, het idee gelanceerd ontslagen te verbieden in ondernemingen die de vorige jaren nog dividenden uitkeerden. Het idee werd onder meer overgenomen door de vakbondsafvaardiging van Caterpillar in Gosselies tegen een nakende herstructurering. We moeten een einde stellen aan de absurde ongerijmdheid dat een grote onderneming subsidies kan krijgen, winsten kan binnenrijven en toch duizenden banen kan vernietigen… en daar probleemloos mee wegkomt.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Jongeren aan het werk, ouderen op rust. Ouderen moeten vroeger (volledig of gedeeltelijk) op rust kunnen en zoals bij de sociale Maribel verplicht door jongeren worden vervangen: recht op brugpensioen op 58 jaar (na 35 jaar carrière) met verplichte aanwerving van een jongere. Geen nieuw Generatiepact en geen zoveelste verlenging van de loopbaan.

 

2. We ijveren voor fatsoenlijk werk en een stabiel inkomen.

– “Passend” werk moet een werk zijn dat verband houdt met wat iemand heeft gestudeerd, voltijds, voor een minimale arbeidsduur van een jaar en minstens betaald op het niveau van het minimumloon.

– Interimwerk moet strikt voorbehouden blijven voor uitzonderlijke en tijdelijke omstandigheden. De uitzendkracht moet recht hebben op respect en een goede begeleiding.

– De inschrijvingen moeten in het kantoor kunnen plaatsvinden. We willen niet dat mensen systematisch naar het internet worden doorverwezen.

– Op elke sollicitatie moet een persoonlijk antwoord volgen.

– Nepwerkaanbiedingen bij interimkantoren, die de valse illusie wekken dat er werk is, moeten verboden worden.

 

Voor een volledig en integraal recht op sociale zekerheid.

Volgende periodes moeten meetellen om volledig recht te hebben op sociale zekerheid: studentenjobs, stages, gepresteerde werkdagen in het kader van deeltijds onderwijs, opleidingen van de openbare diensten voor arbeidsbemiddeling, de periode van gedwongen inactiviteit tussen twee onzekere arbeidscontracten (tijdelijk contract, interim, opeenvolgende stages).

 

3. We verzetten ons tegen precaire jobs.

Voor interimarbeid:

– We verzetten ons tegen de wettelijke uitbreiding van de uitzendarbeid. Een beroep doen op uitzendkrachten moet beantwoorden aan de oude wettelijke criteria in verband met uitzonderlijke omstandigheden, en moet strikt beperkt zijn in de tijd.

– We willen vaste contracten. Tijdelijke contracten willen we beperken tot maximum 6 maanden op een jaar, daarna moet een vast contract volgen.

– We verzetten ons tegen een nieuwe proefperiode na uitzendarbeid bij dezelfde werkgever.

 

Bij staatssteun aan ondernemingen:

– Tewerkstellingssubsidies mogen niet gebruikt worden om stabiele banen te vervangen: verbod op ontslag van actieve werknemers om er onmiddellijk daarna andere aan te werven.

– Stages mogen geen arbeidsplaatsen vervangen.

– De bedrijven moeten hun engagement nakomen in verband met de beroepsopleiding (1,9% van de loonmassa investeren in opleiding en 2% van het bbp in innovatie).

– De specifieke opleiding voor de onderneming moet volledig betaald zijn en deel uitmaken van de proefperiode.

 

– De instanties voor de begeleiding van werklozen moeten strikt gescheiden zijn van de diensten van de RVA (zoals voor 2004). De controles van de RVA kunnen alleen gelden voor jongeren die al recht hebben op een volledige werkloosheidsuitkering. Er mogen geen controles gebeuren tijdens de “inschakelingstijd”. Inschakelingsstages moeten concreet perspectief bieden op beschikbare banen. Jongeren mogen niet verplicht worden om het even welke job aan te nemen, gewoon omdat ze zonder inkomen zitten. Alle werkaanbiedingen moeten gecentraliseerd worden bij de instanties die instaan voor de begeleiding van werklozen.

 

4. Draaglijke werkomstandigheden, niet nog meer flexibiliteit.

– Intrekking van de wet die het regime van overuren uitbreidt en de annualisering van de arbeidstijd vergemakkelijkt.

– Herstel van de maximale overurengrens per kwartaal op 65 uren. In tijden van grote werkloosheid is het niet aangewezen meer overuren toe te laten.

– We streven ernaar dat er een arbeidstijdverkorting per week komt, met loonbehoud, zonder verhoging van het werkritme en met bijkomende aanwervingen.

 

5. Richt nieuwe openbare bedrijven op, deblokkeer openbare investeringen in jobs en innovatie.

– Gemeentelijke of intercommunale sociale bouwbedrijven kunnen de bouw of renovatie van woningen op zich nemen. De bouw van 25.000 woningen per jaar kan 50.000 banen opleveren. Ook de scholenbouw moet een achterstand inhalen. Deze sociale bouwbedrijven kunnen ook instaan voor een betere isolatie van de woningen en voor de aanpassing van alle woningen aan de veiligheidsnormen.

– Het openbaar vervoer moet instaan voor een sociaal en ecologisch verantwoord vervoer van personen en goederen. Zowel bij de NMBS, als bij De Lijn, de MIVB en TEC zijn dan nieuwe investeringen en jobs nodig.

 

6. De publieke sector moet de voortrekker in innovatie zijn. We willen de investeringen in openbaar wetenschappelijk onderzoek optrekken naar 3% van het bbp.

 

7. De openbare welzijnssectoren zoals onderwijs en zorg versterken.

– Om de kwaliteit te verbeteren en schoolmislukking te vermijden willen we in in de eerste drie jaren van het lager onderwijs niet meer dan 15 leerlingen per klas. Er zijn 25.000 bijkomende plaatsen nodig in het lager onderwijs.

– Kinderverzorg(st)ers in kribbes, kleuterleid(st)ers, verpleegsters en verzorgend personeel in rust- en verzorgingsinstellingen, de opvang van mindervaliden: overal en voor alle leeftijden is er een nijpend personeelstekort in de zorg. Er zijn tussen tien- en twintigduizend bijkomende personeelsleden nodig in de zorg.
We moeten tegen 2030 minstens 40 rusthuizen per jaar bouwen, telkens met 80 plaatsen. Hier willen sommigen het tekort opvangen door een wildgroei van privérusthuizen, maar wij willen geen rusthuizen die winst maken op kap van de bejaarden.

– We willen het behoud van de bestaande overheidsbanen in het openbaar ambt. We willen de huidige aderlating stoppen.

De miljonairstaks zou voor minstens 8 miljard euro inkomsten zorgen. 3 miljard zou rechtstreeks dienen voor het creëren van overheidsbanen en 2 miljard voor de herfinanciering van het onderwijs en van het wetenschappelijk onderzoek, die van essentieel belang zijn in een tewerkstellingsbeleid.

 

8. We willen ontslagen in de privé bemoeilijken.

– We willen een wet InBev die collectieve afdankingen verbiedt aan bedrijven die dividenden uitkeren. Een bedrijf dat zich niet aan deze wet houdt, moet alle toegekende fiscale en sociale lastenverlagingen en alle openbare steun onmiddellijk terugbetalen.

– We willen een wet die afdanken moeilijker maakt. België is vandaag in de EU het land waar bij ontslag werkgevers geen reden moeten opgeven. België moet conventie 158 van de Internationale Arbeidsorganisatie ratificeren. Die stelt dat er een gegrond motief moet zijn voor ontslag en dat de werknemer de kans moet krijgen zich daartegen te verdedigen.

– De regels voor collectief ontslag moeten overal gelden, ongeacht de grootte van het bedrijf. 

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014