#GoLeft15: Inspraak

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

10% van de ondervraagden kruist “democratie” aan en 9% “politieke cultuur” in hun top 3 van de problemen die we eerst moeten aanpakken. Bij de vraag: “Hoe de politiek op maat van de mensen maken?” is 38% het eens met de stelling: “Ministers dichter bij de bevolking. Hun lonen mogen maximum drie keer zo hoog zijn als een gemiddeld werknemersloon.” En 32% verdedigt: “Alle belangrijke beslissingen voorleggen aan de bevolking via referendum (pen­sioenen, loonstop, Europees Verdrag…).”

 

Vaststellingen

Eén. Zij die ons besturen hebben ons het recht ontnomen te beslissen over onze begroting en over ons sociaal en economisch beleid.

Democratie was duidelijk geen prioriteit voor de regering-Di Rupo. Zonder slag of stoot stonden de partijen in de Belgische, Vlaamse, Waalse en Brusselse regeringen een essentieel deel van de democratische rechten af: het recht om te beslissen wat er met de inkomsten en uitgaven van de staat gebeurt.

Volgens het Europese VSCB of “Begrotingspact”, dat alle parlementen hebben goedgekeurd, mag het begrotingstekort niet meer dan 0,5 procent van het bbp belopen. En de overheidsschuld mag niet meer dan 60 procent van dat bbp bedragen, of moet onafgebroken in de richting van die 60 procent dalen.

 

Wie dient daarvoor te zorgen? Volgens de liberale recepten die de Europese Unie de lidstaten oplegt, zijn dat in hoofdzaak de loon- en bijstandtrekkers. Die moeten inleveren.

Om er zeker van te zijn dat de lidstaten deze voorschriften voor hun begrotingen nakomen, zette de Europese Unie een aantal mechanismen op die de lidstaten verplichten een liberaal beleid te voeren en die de greep van de Unie op het begrotingsbeleid versterken. Zo werd in 2011 de sixpack door het Europees Parlement goedgekeurd.

De lidstaten moeten op grond van liberale richtsnoeren een stabiliteitsplan opstellen met daarin hervormingen en een begrotingsraming. Als ze zich niet aan de regels houden, krijgen ze sancties opgelegd. De nationale regeringen en parlementen hebben niets meer te zeggen. Ze moeten de richtlijnen van de EU-commissie uitvoeren.

De EU-aanbevelingen zijn volkomen patronaal gekleurd: “stuur” de Belgische loonnorm “bij”, beperk de loononderhandelingen tot het sector- en bedrijfsniveau, pas de loonindexering aan, beperk de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, belet dat mensen voor hun 65e stoppen met werken…

 

Twee. Middenveld en vakbonden worden aan de kant geschoven.

De machtsgreep van de Europese Unie schakelt ook in de feiten de mogelijkheid uit voor het middenveld en vooral voor de vakbonden om zich te verzetten tegen onaanvaardbare maatregelen. Zo beveelt de Europese Commissie aan: “maatregelen om de mechanismen inzake loonvorming en, indien nodig, de mate van centralisering van de loononderhandelingen (...) te herzien.” De regering volgde deze aanbeveling deels op.

In België hechten de vakbonden veel belang aan het sociaal overleg. Zij maken om de twee jaar afspraken met de werkgevers tijdens vrije loononderhandelingen. Dat loonoverleg heeft de regering compleet uitgehold. In 2013 en 2014 mochten de lonen niet boven de index stijgen. Ook kondigde Elio Di Rupo eind 2012 aan dat de regering de “wet van 1996”, die de loonnorm vastlegt, wil aanpassen. Het voorontwerp van deze nieuwe wet (van 22 maart 2013) wil een permanente loonmatiging organiseren en de vakbonden buitenspel zetten bij de interprofessionele onderhandelingen. Het ontwerp voert een structureel mechanisme in van loonconcurrentie met de buurlanden en installeert een systeem van strenge sancties om te vermijden dat ook maar in één sector of onderneming de loonnorm zou worden doorbroken.

Dat die wet nog niet is gestemd, is hoofdzakelijk het gevolg van de vrees voor sociale onrust. De aanpassing van de wet van 1996 sluit echte onderhandelingen over een interprofessioneel akkoord uit. Elk intersectoraal overleg wordt kapotgemaakt. De werknemers zullen nog alleen op het niveau van hun onderneming nieuwe voordelen kunnen verkrijgen. En dan nog heel beperkt, via premies voor het halen van bepaalde doelstellingen. Onder druk van de vakbonden, mede als gevolg van een aantal onthullingen daarover van de PVDA, zag de regering zich verplicht deze maatregel uit te stellen tot… na de verkiezingen.

 

Drie. Aanslag van de regering op onze privacy. De enige privacy die nog overeind blijft: de corporate privacy, de keukengeheimen van banken en multinationals.

Deze regering veranderde niets aan de controle op de banken. Hun balansen blijven geheim. Het is de enige privacy die in onze samenleving nog rest. Ondertussen wordt elke mail in ons land, elke sms, elke internetactie bespioneerd en bijgehouden. Rechtstreeks door de NSA of indirect via Belgacom. Het parlement stemde in met de grootste directe aanval ooit op de privacy van de burgers in België: de Belgische “dataretentiewet” gaat zelfs verder dan wat Europa België oplegt via de Europese Richtlijn van 2006.

In nauwelijks twee weken en in volle vakantieperiode werd de wet door Kamer en Senaat gejaagd zonder enig ernstig debat. De ministers Vande Lanotte en Turtelboom hebben hun wetsvoorstel zelfs niet in de commissie Justitie laten bespreken, maar enkel in de commissies Infrastructuur en Financiën. Alsof het om een technische kwestie zou gaan, en niet om de privacy en de fundamentele vrijheden van alle burgers. De wet verplicht Internetproviders en Telecom-maatschappijen alle identificatiegegevens van al hun gebruikers, tot en met de abonnementen bij hun diensten, voor onbepaalde tijd te bewaren. Alle communicatiegegevens moeten twaalf maand bewaard blijven. Zo staat de communicatie van alle burgers permanent onder controle van de overheid.

Men stelt het voor alsof de wet een antwoord is op terrorisme en nieuwe vormen van cybercriminaliteit, maar de wet schiet volledig voorbij aan dat doel. De Staatsveiligheid en militaire veiligheidsorganen kunnen de bewaarde data opvragen. Omdat hun werkterrein zo ruim is, valt te vrezen dat ook sociale en politieke bewegingen zullen bespioneerd worden, met name als ze in verzet komen tegen het beleid van de regering of van de Europese Unie. Zo komt niet alleen de privacy in het gedrang, maar ook het recht op vrije meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de persvrijheid. De Liga voor de Mensenrechten spant een procedure aan voor het Grondwettelijk Hof. In Duitsland hebben 35.000 burgers een soortgelijke wet aangevochten voor het Grondwettelijk Hof. Met succes.

 

Intussen leggen duizenden camera’s ons doen en laten in de openbare ruimte vast. De politie wil een cameraschild zodat je nergens in België nog ongemerkt kan rondrijden. Elke Belg zit in honderden databanken. Het is een evolutie richting Big Brother. Privacy is een afweerrecht van de burger tegen onverantwoorde inmenging van de overheid in zijn privéleven. Glazen overheid en glazen ondernemingen zijn veraf, maar de glazen burger is een hete realiteit. Wij leven meer en meer in een controlestaat.

 

Vier. Voortaan mag elke gemeente naar eigen smaak en voorkeur de vrijheid van jongeren inperken met GAS-boetes. Een vrijheidsbeperking die ook nog eens afhankelijk wordt van de willekeur van de sanctionerende GAS-ambtenaren, die niet alleen bestraffen, maar ook nog eens rechter én begunstigde partij zijn. Er is hier geen enkele scheiding van machten meer. Zowat alle jongeren- en middenveldorganisaties van dit land – dat zijn er 213 – vroegen samen de GAS-wetgeving te herzien. Maar de regering breidde de GAS-boetes nog uit, tot 14-jarigen.

 

De visie van de PVDA+

De democratie is – in het beste geval – al herleid tot een banale liberale marktactiviteit. Mensen nemen niet deel aan het beleid. Ze worden niet betrokken bij beleidskeuzes. Ze worden beschouwd als consumenten van het beleid. De Europese machtsgreep degradeert nu ook de Belgische volksvertegenwoordiger tot een inhoudsloze jaknikker. Op die manier leven we meer en meer in een “democratie van lage intensiteit”, die nog verder verzwakt door de crisis.

 

Wanneer wordt naar uw mening over iets van uw dagelijks leven gevraagd? Wanneer heeft u het recht deel te nemen aan de besluitvorming over een maatschappelijk vraagstuk? Nooit, tenzij één keer om de vier jaar. Daar mogen we dan kiezen voor vertegenwoordigers van de wetgevende macht die steeds minder in de pap te brokkelen hebben. Nauwelijks 5% van alle Belgische wetten komt vandaag nog van het parlement; 95% zijn voorstellen, afkomstig van de regering. Die voorstellen zijn in veel gevallen overgeschreven van de richtlijnen van de Europese Unie.

Het is de Europese Commissie die vandaag de nationale begrotingen bekrachtigt, terwijl de begroting juist de democratische oefening is die beslist over de elementaire beleidsoriëntaties van een land. Met de ratificatie van het Europese Begrotingspact hebben onze volksvertegenwoordigers volmacht gegeven aan de Europese Unie voor alle grote sociale en economische beslissingen.

En wie leidt vandaag de Europese Unie? Aan beslissingen van de Europese Commissie gaat altijd succesvol lobbywerk vooraf van grote werkgevers. In feite komt dat neer op het confisqueren van het democratische proces in de periode tussen twee verkiezingen. Erger nog, soms roept men stemmingen van twee of drie jaar geleden in om bepaalde antisociale maatregelen op te dringen die een groot deel van de bevolking nochtans verwerpt.

 

We willen deze logica omkeren. We pleiten voor meer directe, meer dynamische democratie, die veel meer op participatie is gericht. Daarom moeten we er ook voor zorgen dat mensen in sociale omstandigheden leven die het mogelijk maken te participeren aan die dynamische democratie. Er is een voortdurende wisselwerking nodig tussen de mensen, de buurten, de werknemers in de bedrijven en de politieke verantwoordelijken. We willen meer inspraak van de bevolking. Over begrotingen moet er debat zijn. Dat kan door ze voor te leggen aan de gemeenteraden of door digitaal een raadpleging te organiseren.

De bevolking moet ook het recht krijgen zelf wetten te maken. We willen alle belangrijke beslissingen voorleggen aan de bevolking via referendum: pensioenen, loonstop, Europees Verdrag enzovoort.

 

We hebben politici nodig die echt de wil van de bevolking vertolken. Er zit vandaag maar één arbeidster als volksvertegenwoordigster in het parlement. De meerderheid van de parlementsleden is advocaat, jurist, bedrijfsleider of beroepspoliticus. Hun inkomen ligt ruim boven het gemiddelde van de bevolking.

Het is de manier van leven van mensen, die bepaalt hoe ze denken. Niet omgekeerd. Dat zien we bij heel veel politici. Als de politieke verantwoordelijken er een levensstijl op nahouden die veel gelijkenissen vertoont met die van de grote werkgevers, dan zal hun belangstelling zich onvermijdelijk ook in die richting ontwikkelen. Het is moeilijk om te begrijpen dat mensen bijvoorbeeld problemen hebben om hun energiefactuur te betalen, als je zelf geen voeling meer hebt met het reële leven. We willen daarom een limiet stellen aan het loon van politieke mandatarissen. Bij de PVDA geldt voor alle gekozenen de interne regel dat ze leven met een inkomen dat gelijkstaat met het gemiddelde loon van een arbeider. Waarom zou een politieke verantwoordelijke tot 15.000 euro per maand moeten verdienen? Er is vandaag een kastensysteem aan het groeien, en een kloof tussen de levensstijl van politici en die van de gewone stervelingen.

We willen de mensenrechten integraal verdedigen en afdwingbaar maken. We verdedigen de eerste generatie mensenrechten, de klassieke grondrechten (het recht op vrije meningsuiting, vrijheid van vereniging...). Deze rechten worden vandaag nogal eens met de voeten getreden, vooral door de inbreuken op onze privacy en door de schending van de vakbondsrechten. Maar wij verdedigen ook de mensenrechten van de tweede generatie, die na de Tweede Wereldoorlog tot stand kwamen: de sociale en collectieve rechten zoals het recht op arbeid, op onderdak en scholing, op een menswaardig leven. Deze rechten zijn vastgelegd in de Belgische Grondwet, maar ze zijn niet afdwingbaar. We ijveren ervoor dat ze dat worden. Het recht op arbeid is vastgelegd in de Grondwet en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties uit 1948. Maar in België wordt dat recht vandaag aan bijna 20% van de bevolking onthouden.

 

We willen dat de mensen meer grip krijgen op hun woon-, werk- en leefomstandigheden. We willen erkenning voor de positie en de rol van de vakbonden en van het middenveld in het algemeen. Wij willen ook een betere bescherming voor wie zich inzetten voor de belangen van de werkende mensen.

De helft van de Belgische werknemers werkt in een kmo. Al acht jaar weigert de Belgische regering de Europese richtlijn toe te passen die een vakbondsvertegenwoordiging verplicht maakt in elk bedrijf van minstens vijftig werknemers, of in filialen ervan met minstens twintig werknemers. In de richtlijn staat verder dat in die bedrijven ook verplicht sociale verkiezingen moeten plaatshebben.

 

Mediacampagnes zetten het stakingsrecht onder druk, vooral in de openbare sector. Rechts schildert het spoorwegpersoneel dat staakt tegen onveiligheid en onderbemanning af als “gijzelnemers”. Het ongeval in Buizingen in 2010 toont tot wat onveiligheid en liberalisering kan leiden. Staken is een fundamenteel recht. Het is door internationale verdragen gegarandeerd. Als de werknemers in een bedrijf zich niet kunnen neerleggen bij de voorwaarden die de patroon stelt en er geen akkoord kan gevonden worden, over welk ander middel dan de staking beschikken die werknemers dan nog?

 

Het middenveld levert een wezenlijke bijdrage aan de democratie. Het biedt mensen de kans om te participeren aan de samenleving en in de politieke besluitvorming. Het houdt permanent de vinger aan de pols van de samenleving. Het kan nieuwe maatschappelijke kwesties snel op de politieke agenda brengen. Een democratie kan niet werken zonder goed geïnformeerde en mondige burgers en verenigingen die mee vorm geven aan het beleid en de samenleving.

 

Wij hebben allemaal het recht informatie over ons privéleven vertrouwelijk te houden. Onze privacy is beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. We hebben allen het recht zelf te beslissen wat we willen dat geweten is en wat niet. De staat heeft niet het recht in het privéleven van de mensen te komen snuffelen. Nochtans, vandaag worden in naam van de strijd tegen terrorisme en cybercriminaliteit de sociale actoren in het oog gehouden en geficheerd. Zo komt niet alleen de privacy in het gedrang, maar ook het recht op vrije meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de persvrijheid.

Internationale klokkenluiders hebben laten zien tot welke ontsporingen al dat geïntrigeer kan leiden. Het is hoog tijd dat de knop wordt teruggedraaid.

 

Na de aanslagen van 11 september 2001 in New York doken allerlei “antiterrorismewetten” op. Die wetten hanteren een zo ruime omschrijving van het begrip “terrorisme” dat ze ook sociale en antikapitalistische bewegingen viseren, eenvoudigweg voor het verkondigen van een mening of voor het organiseren van een collectieve actie. Het recht op vrije meningsuiting en de vrijheid van vereniging moeten – behalve voor racistische organisaties – gegarandeerd zijn. Ze mogen niet door allerlei wetten, vergunningen en GAS-reglementen uitgehold worden.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Ministers moeten dichter bij de bevolking staan. Hun lonen mogen maximum drie keer zo hoog zijn als een gemiddeld werknemersloon. We willen geen parlementsleden met een loonstrookje van tienduizend euro per maand. Ze moeten een modaal inkomen hebben en echt onder de mensen leven.

 

2. De parlementsleden zullen voldoende tijd moeten uittrekken voor de participatie van mensen uit de wijken en bedrijven, om zo een brede deelname van de samenleving aan de beleidskeuzes te garanderen. Het zou goed zijn als volksvertegenwoordigers afzetbaar worden, als ze blijk geven van persoonlijk gewin, corruptie of bureaucratie. Wie wetten maakt, legt daarover ook verantwoording af aan het volk.

 

3. We willen de belangrijke beslissingen voorleggen aan de bevolking via referendum. Als honderdduizend inwoners een referendum vragen, dan moet er een komen. We moeten via referendum ook wetten die al gestemd werden, ongedaan kunnen maken.

 

4. We willen de kabinetten afschaffen. Het voorbereidende werk moet opnieuw een taak worden van de ambtenaren. Meer middelen voor de parlementsleden.

 

5. De verkiezingen moeten volledig proportioneel zijn en de kiesdrempel van vijf procent moet worden afgeschaft. Alle meningen moeten aan bod komen. Gelijke toegang tot de media voor alle partijen tijdens verkiezingen.

 

6. We willen de vakbondsrechten beter beschermd zien.

– Met een betere en afdoende wettelijke bescherming van de vakbondsafgevaardigden door een verandering van de wet van 19 maart 1991 zodat een delegee die het wil, zijn re-integratie in het bedrijf kan afdwingen.

– We willen een vakbondsafvaardiging in de (grotere) kmo’s, zoals de Europese Unie vraagt.

– Geen tussenkomst van rechtbanken in sociale conflicten.

– Geen minimumdiensten of antistakingsregels in de openbare sector.

– Geen patronale lock-out om stakingen te breken.

– Vrijheid van onderhandelingen voor de vakbonden. We willen dat de werkende klasse opnieuw over loon- en arbeidsvoorwaarden kan onderhandelen. We willen dat de loonbevriezing onmiddellijk wordt tenietgedaan. We willen de afschaffing van de wet van 1996 op de competitiviteit.

 

7. Openbare financiering van ngo’s en middenveldorganisaties. Stop de bezuinigingen en beperkingen.

 

8. Respecteer het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Respecteer de privacy. De wet Vande Lanotte-Turtelboom in verband met de dataretentie moet ingetrokken worden.

 

9. De vrijheid van vereniging en het recht op vrije meningsuiting via acties, flyers, sociale media enz. mag niet door allerlei wetten, vergunningen en GAS-reglementen uitgehold worden. We willen de intrekking van de GAS-wet.

We willen ook de afschaffing van de “antiterrorismewetten” die de fundamentele rechten en vrijheden beknotten.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014