#GoLeft12: Onderwijs tegen ongelijkheid

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

18% van de ondervraagden kruist “onderwijs” aan in de top 3 van de problemen die we eerst moeten aanpakken.
Vraag: “Hoe komen tot een secundair onderwijs dat de sociale ongelijkheid vermindert?”
Antwoord: 38% ziet hier als prioriteit: “kleinere klassen en gratis schoolhulp”, 32% wil prioritair “gratis onderwijs”.

 

Vaststellingen

Eén. Ons onderwijs: kampioen in de ongelijkheid.

Sinds tientallen jaren is België een van de koplopers in de internationale PISA-test over de kwaliteit van het onderwijs. Vlaanderen scoort zeer goed in wiskunde en talen: het is tweemaal kampioen. Maar dat Vlaamse onderwijs behoort volgens het PISA-onderzoek ook tot de meest ongelijke onderwijssystemen in Europa.

Van alle landen en regio’s die in het onderzoek zijn betrokken, 63 in het totaal, hebben volgens het PISA-onderzoek de allochtone leerlingen in Vlaanderen de grootste achterstand op de autochtone leerlingen.

De vroegtijdige opsplitsing op de leeftijd van 12 jaar in hiërarchische studierichtingen en onderwijsvormen (ASO, TSO, BSO) zorgt voor een grote sociale segregatie. Op de leeftijd van 15 jaar zit driekwart van de kinderen uit de 10% rijkste gezinnen in het ASO. Maar slechts 1 kind op 7 uit de groep van de 10% armste gezinnen, zit in dat ASO.

 

Twee. Er is een tekort aan plaatsen en leerkrachten.

Over zes jaar zal Antwerpen 9500 kinderen extra tellen in de leeftijd tussen 2,5 en 11 jaar. Maar het stadsbestuur van burgemeester De Wever kondigde aan dat het stedelijk onderwijs zijn aandeel in de nodige bijkomende capaciteit niet zal realiseren. De stad en de Vlaamse regering spelen hier elkaar de zwarte piet toe.

 

In Brussel neemt het aantal leerlingen in het basis- en secundair onderwijs tussen 2010 en 2020 toe met respectievelijk 29.500 en 12.500. Bijkomende capaciteit is daar nog hoogdringender dan in Antwerpen. Maar een oplossing is er nog moeilijker omdat Vlaamse en Franstalige regeringen en partijen elkaar eindeloos de hete aardappel toeschuiven, door de communautarisering van het onderwijs.

Naast een tekort aan scholen dreigt een tekort aan leerkrachten, ook omdat veel beginnende leerkrachten binnen de vijf jaar het onderwijs verlaten. Een vorige regering stelde een vervangingspool van leerkrachten in. Omwille van kortzichtige besparingen werd deze positieve maatregel afgeschaft. Minister Smet schafte de mentoruren af waarmee scholen hun beginnende leerkrachten konden begeleiden.

 

Was de federale regering bevoegd voor onderwijs, dan zouden partijen als N-VA en Vlaams Belang en hun spreekbuizen in de media scheldwoorden tekort hebben om het schuldig verzuim van de regering te hekelen. Maar sinds een kwarteeuw is de Vlaamse regering bevoegd voor onderwijs. En die regering neemt haar verantwoordelijkheid niet op om te garanderen dat elk kind de komende jaren een plaats vindt in een school, met een bekwame leerkracht voor de klas.

 

Drie. De kwaliteit van het onderwijs is in gevaar.

Ons onderwijs vertoont grote hiaten en daar zijn alle leerlingen het slachtoffer van.

Ten eerste, ons onderwijs levert “technologische analfabeten” af. Slechts een minderheid van de leerlingen van het TSO volgt een studierichting waarin contact voorzien is met een brede waaier van toegepaste wetenschappen en techniek. Zowel in het ASO, waar de technologische opvoeding grotendeels beperkt is tot de eerste graad, als in het BSO en in de meeste studierichtingen van het TSO, waar de technologische vorming beperkt is tot een enge specialisatie, verlaten de meeste leerlingen het leerplichtonderwijs als technologische analfabeten. Behalve in de wetenschappelijke studierichtingen van het ASO en van het TSO mondt de vorming in de natuurwetenschappen zelden uit op een diepgaand inzicht of een praktische initiatie in technieken.

 

Ten tweede, meestal ontbreekt een kritische en wetenschappelijke kijk op de wereld. Allerlei onderzoeken wijzen uit dat de leerlingen in het leerplichtonderwijs (en in het hoger onderwijs) nauwelijks worden gevormd tot kritische burgers die de wereld waarin ze leven, leren begrijpen.

De centrale peiling door het ministerie van Onderwijs (in 2011) rond “wereldoriëntatie” bij leerlingen van het zesde leerjaar in het Vlaams lager onderwijs gaf aan dat er heel wat hiaten bestaan en dat de eindtermen vaak niet worden bereikt.

Het onderzoek over burgerschap, uitgevoerd onder leiding van professor Mark Elchardus van de VUB, gaf aan dat de Vlaamse leerlingen onderaan bengelen qua inzichten en waarden rond discriminatie, racisme enzovoort.

 

Er stellen zich een aantal problemen in de lerarenopleiding. Een onderzoek van de Katholieke Hogeschool Limburg (in 2012) bij 1000 studenten van het derde jaar van de Vlaamse lerarenopleidingen leverde volgende verontrustende cijfers op: meer dan 60% herkent de landen van de eurozone niet op de kaart; 30% weet niet dat Kris Peeters Vlaams minister-president is; 25% denkt dat de PS in de Vlaamse regering zit; bijna 30% herkent de VS niet op een blinde kaart; 20% herkent Nelson Mandela niet; 45% weet niet wat inflatie is.

 

Vier. Onderwijs wordt steeds duurder.

Onderzoek van het HIVA (KU Leuven) wijst uit dat een jaar kleuteronderwijs 300 euro kost voor de ouders. In de lagere school schommelt dat tussen 336 en 492 euro, waarbij het laatste schooljaar afgetekend het duurste is. Eenmaal in het middelbaar onderwijs ontstaat er een wezenlijk verschil in studiekosten per jaar en per richting. Vooral bij studierichtingen die de aankoop van bepaalde werktuigen en materialen vereisen, loopt de factuur snel op. Het 6e jaar ASO kost gemiddeld 1278 euro, TSO 1346 euro en BSO 1581 euro.

Een kotstudent in het hoger onderwijs kost al snel 12.450 euro.

Deze financiële drempels maken zaken moeilijker. Vandaag leeft 12,3% van de Belgische jongeren zonder job, zonder diploma en zonder opleiding. In het eerste jaar van het hoger onderwijs slaagt 57,5% van de studenten niet voor de examens. Omdat de kosten zo hoog zijn, denk je tweemaal na voor je herbegint.

 

Vijf. De structurele onderfinanciering van ons onderwijs.

Bij haar aantreden in 2009 heeft de Vlaamse regering in het onderwijs een catalogus van besparingen doorgevoerd ter waarde van 140 miljoen euro per jaar. De werkingsmiddelen van de scholen werden slechts gedeeltelijk geïndexeerd.

In het najaar van 2012 wilde de regering-Peeters een inlevering van 1% op de loonmassa van de Vlaamse ambtenaren doorvoeren. De maatregel zou alle Vlaamse leerkrachten treffen. Na onderhandelingen met de vakbonden werd de looninlevering vervangen door een inlevering op de CAO. In 2014 en 2015 zullen de Vlaamse leerkrachten minder vakantiegeld ontvangen.

Al jarenlang is er een structurele onderfinanciering van het onderwijs. In het hoger onderwijs stijgt het aantal studenten permanent, maar relatief gezien zijn er almaar minder middelen. Er is geen geld voor investeringen in infrastructuur. Gevolg: gebrek aan plaats in leslokalen en auditoria, gebrek aan kwaliteitsvolle openbare studentenkamers, een krakkemikkige infrastructuur… Bovendien worden professoren aangemoedigd om meer te “produceren”. De druk voor publicaties gaat omhoog, de kwaliteit van het onderwijs moet inboeten.

De onderfinanciering brengt de meeste instellingen in een precaire toestand. Ze worden aangemaand oplossingen te zoeken op de privémarkt. Niet-rendabele richtingen worden afgevoerd... Telkens dezelfde mensen mogen de rekening betalen.

 

Zes. De privé dringt almaar dieper door in het hoger onderwijs en in het wetenschappelijk onderzoek

De privé speelt ook rechtstreeks een steeds grotere rol in ons hoger onderwijs, en dat is meer dan alleen de privatisering van bepaalde diensten (restaurants, cursussen…).

Doordat de rol van de privé belangrijker wordt, verliezen opleidingen die niet economisch rendabel zijn, aan belang. Ook de onafhankelijkheid van het onderzoek komt in gevaar door de inmenging van privéondernemingen. Er is door de schaarse middelen ook minder ruimte voor fundamenteel onderzoek. Einstein en Kant zouden vandaag geen plaats vinden op de universiteit.

 

De visie van de PVDA+

In het vijfde jaar secundair onderwijs heeft in Vlaanderen meer dan een derde van de leerlingen één of meerdere jaren schoolachterstand. Een op vijf jonge leerkrachten houdt het binnen de vijf jaar voor bekeken. Voor al die problemen hebben de politici maar weinig interesse. Hoog tijd om de zaken om te draaien.

 

We willen een school die ingaat tegen ongelijkheid en ernaar streeft iedereen kwaliteitsvol onderwijs te bieden.

Het is niet normaal kinderen zo vroeg al, op hun twaalfde, hun toekomst te laten bepalen. De keuze wordt immers sterk bepaald door de sociale achtergrond van de jongeren. Finland is ook een kampioen in de PISA-test. Maar het Finse onderwijs scoort beter dan het Vlaamse onderwijs voor de gemiddelde prestaties van de leerlingen. Bovendien zijn de verschillen tussen de scholen er veel kleiner. De scholen zijn er sociaal ook meer gemengd. De schoolresultaten zijn er veel minder bepaald door de socio-economische herkomst van de leerling. Voor een democratische onderwijshervorming die de sociale segregatie en ongelijkheid vermindert, kan het Finse onderwijssysteem ons inspireren. Daar volgen de leerlingen een grotendeels gemeenschappelijk curriculum tot de leeftijd van 16 jaar. Pas daarna kiest de leerling een studierichting die voorbereidt op hoger onderwijs of op een beroepskwalificatie. In Finland gaan de leerlingen in principe naar een dichtbij gelegen school die door de gemeente wordt toegewezen. 99% van de scholen in Finland heeft de gemeente als inrichtende macht. Geen enkele gemeente onttrekt zich aan haar maatschappelijke plicht om alle kinderen gelijke kansen op school te garanderen.

 

Vervolgens vinden we dat het doel van onderwijs moet zijn dat alle leerlingen slagen. We hebben nood aan kleinere klassen waar betere begeleiding mogelijk is, met speciale ondersteuning voor leerlingen met leermoeilijkheden. In sommige gevallen is het noodzakelijk om – zoals in Finland – een tweede leerkracht in de klas te zetten. Op die manier kan het zittenblijven sterk beperkt worden, zonder neerwaartse nivellering. Dat gaat samen met een versterking van de lerarenopleiding. In Finland hebben de meeste leerkrachten een masteropleiding van 5 jaar gevolgd.

 

Om de sociale ongelijkheid tegen te gaan moet onderwijs ook echt gratis zijn, in basis- en secundair onderwijs. En leerlingen moeten veel gemakkelijker kunnen doorstromen naar het hoger onderwijs.

 

In België wordt de ongelijkheid nog versterkt door de concurrentie tussen de onderwijsnetten en de dualisering tussen elitescholen en restscholen. Dat wordt in de hand gewerkt door de vrije schoolkeuze. We moeten deze logica omgooien en inzetten op een betere samen­werking tussen scholen en iedereen een kwaliteitsschool aanbieden.

 

De school mag niet alleen dienen om een vak te leren. Onderwijs moet bijdragen tot een evenwichtige en algemene ontwikkeling. Een ontwikkeling van hoofd, hart en handen, als het ware. Op technisch, wetenschappelijk, intellectueel, cultureel en sportief vlak. Om jongeren zo voor te bereiden op deelname aan de maatschappij. Dat veronderstelt ook: kritisch zijn en voldoende inzicht hebben om de samenleving te begrijpen. En om dan hoofd, hart en handen te gebruiken om er een meer rechtvaardige samenleving van te maken.

 

Om al deze uitdagingen waar te maken, moet er een veel ruimere financiering komen van het onderwijs: minstens 7% van het bbp. Onderwijs moet een prioriteit worden van de regering.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. We willen een kwaliteitsvol onderwijs dat de ongelijkheid bestrijdt.

Kleinere klassen. Klasjes van maximaal 15 leerlingen tot in het derde leerjaar. Daarna klassen met maximaal 20 leerlingen.

Geen vroegtijdige selectie. Een gemeenschappelijke stam tot 16 jaar is een instrument om de ongelijkheid te bestrijden. Pas na een (grotendeels) gemeenschappelijke basisvorming van tien jaar kiest de leerling een studierichting die voorbereidt op hoger onderwijs of op een beroepskwalificatie. In deze gemeenschappelijke stam is er aandacht voor algemene én technische vorming, en niet voor slechts een van beiden. De bedoeling is jongeren breed en kritisch te vormen om hun rol in de samenleving te kunnen opnemen. Deze gemeenschappelijke stam is ook gekoppeld aan een betere begeleiding van de leerlingen zodat iedereen op een meer gediversifieerde manier wordt opgevolgd.

Onderwijs moet echt gratis zijn in het basis- en secundair onderwijs. Alle leermiddelen en verplichte activiteiten in het leerplichtonderwijs moeten gratis zijn. Ook gezonde maaltijden en voor- of naschoolse kinderopvang zouden kosteloos moeten zijn.

We ijveren voor een inschrijvingsbeleid dat de sociale mix in alle scholen bevordert en dat voor elke leerling een plaats garandeert in een gemakkelijk bereikbare en sociaal gemengde school.

 

2. We willen een plaats voor iedereen. Het moet gedaan zijn met het schuldig verzuim en de struisvogelpolitiek van de diverse overheden. Ze moeten alles in het werk stellen om overal, voor elk kind, voldoende schoolcapaciteit te voorzien. Daarvoor is van essentieel belang dat de scholen openbaar eigendom blijven. De staat is dan ook verantwoordelijk voor het financieren van nieuwe scholenbouw.

 

3. We willen alle leerlingen doen slagen.

- Bijzondere ondersteuning voor leerlingen met leermoeilijkheden. We ijveren voor een snelle remediëring, ondersteund door voldoende leerkrachten en gespecialiseerd personeel, voor leerlingen die dreigen af te haken, voor leerlingen met leerproblemen en leerstoornissen. In sommige gevallen is het nodig om – zoals in Finland – een tweede leerkracht in de klas te zetten. Op die manier kan het zittenblijven beperkt worden zonder neerwaartse nivellering.

– Schoolplicht vanaf de leeftijd van 3 jaar.

– Versterking van de lerarenopleiding.

– De omkadering en methodologie verbeteren. Er moet meer geïnvesteerd worden in de omkadering, zowel in het leerplichtonderwijs als in het hoger onderwijs. Er moeten extra lessen methodologie ingevoerd worden in het eerste jaar hoger onderwijs. Leren leren als het ware. Er moet een specifieke omkadering zijn voor nieuwe studenten. Daarom is er meer geld nodig voor monitoraten, zodat die ook actiever kunnen inspelen op het niet-slagen van studenten. Zij moeten de mogelijkheid hebben naar studenten toe te gaan in plaats van af te wachten tot die naar hen toekomen. Dat vertaalt zich ook in de aanwerving van nieuw personeel.

– In het hoger onderwijs moeten de cursussen online en dus gratis beschikbaar zijn en wel vanaf het begin van het semester.

 

4. De studiekosten in het hoger onderwijs moeten naar omlaag.

- Verhoog alle inkomensgrenzen in het studiefinancieringssysteem, ook die om in aanmerking te komen voor een maximumbeurs. Minstens een derde van de studenten moet van een beurs kunnen genieten. Verminder de administratieve rompslomp door de toekenning van een beurs te automatiseren. Zo krijgt ieder die er recht op heeft, ook daadwerkelijk een beurs.

– Verhoog de beursbedragen zodat ze alle studiegebonden kosten dekken. Maak de studiebeurzen welvaartsvast en pas ze automatisch aan bij een stijging van de studiekosten. Voer daarom regelmatig een studiekostenmeting uit.

– Schaf stap na stap het inschrijvingsgeld in het hoger onderwijs af.

– De federale staat en de Gewesten moeten zelf investeren in de bouw en het beheer van kwaliteitsvolle studentenverblijven.

– Stel een uniforme huurovereenkomst per stad op.

– Bezorg alle studenten en jongeren tot 26 jaar een openbaar vervoerkaart (OV-kaart) voor alle netten (De Lijn, MIVB, NMBS). Promoot duurzame mobiliteit bij de studenten, houd de prijs van deze OV-kaart laag, vraag niet meer dan een minimale administratieve kostprijs.

– Voeg een maximumfactuur (een kostenplafond of maximumprijs per studiepunt) in voor opleidingsspecifieke kosten en studiemateriaal.

 

5. We willen een school die deel uitmaakt van de buurt, een brede school.

De leer- en ontwikkelingskansen van kinderen nemen toe als er een sterkere band is tussen diverse scholen en door de samenwerking met wijkpartners (ouders, bibliotheek, basiseducatie, buurtdiensten, samenlevingsopbouw, sociaalculturele, artistieke, sportieve verenigingen...). De school moet een plaats zijn die toegankelijk is voor de buurtbewoners. Dat gaat gepaard met langere openingsuren, het beschikbaar stellen van de infrastructuur enzovoort.

 

6. We willen samenwerking tussen de onderwijsnetten

De concurrentie tussen de netten moet plaatsmaken voor samenwerking in het belang van alle leerlingen en personeelsleden. Op termijn ijveren we voor één enkel openbaar onderwijsnet.

 

7. We willen tweetalig onderwijs in Brussel.

Het naast elkaar bestaan van Franstalig en Nederlandstalig onderwijs op eenzelfde grondgebied versterkt nog meer de concurrentie. Tweetaligheid is fundamenteel voor wie in Brussel leeft. Het zal het begrip en respect tussen de gemeenschappen bevorderen. Ook voor de overgrote meerderheid van de jobs moet je in Brussel tweetalig zijn. Daarom vinden we dat er voor de scholen in Brussel één enkele bevoegde overheid moet zijn. Een deel van de lessen moet in het Frans worden gegeven en een deel in het Nederlands, en wel voor alle leerlingen. Om immersie-onderwijs mogelijk te maken moeten de geschikte lesmethodes worden uitgewerkt.

 

8. We willen de herfederalisering van het onderwijs.

De communautarisering van het onderwijs heeft gezorgd voor een kloof tussen Nederlandstalig en Franstalig onderwijs, zowel wat de middelen betreft als inzake de leerprestaties. In een klein landje als België is het aangewezen niveau voor de meeste beleidsmateries het nationale niveau. Dan kunnen we het onderwijs efficiënter organiseren. De uitvoering van dat onderwijsbeleid kan dan gedecentraliseerd worden naar de gemeenten en eventueel de Gewesten. Voor een beperkt aantal taken is een aparte aanpak naargelang de taal noodzakelijk.

 

9. De herfinanciering van het onderwijs is noodzakelijk.

Wij pleiten voor het optrekken van het onderwijsbudget in ons land naar het niveau van 1980: 7% van het bbp.

Op korte termijn willen we de miljonairstaks invoeren die 8 miljard euro kan opbrengen. Daarvan zou 1,6 miljard euro naar het onderwijs gaan: 1 miljard voor 25000 extra leerkrachten, vooral in het basisonderwijs; 300 miljoen voor scholenbouw en 300 miljoen voor het ­hoger onderwijs. Daarnaast zou 400 miljoen naar wetenschappelijk onderzoek gaan.

 

Wat de scholenbouw betreft: we zijn tegenstander van de dure “pps” (publiekprivate samenwerking). Met de miljonairstaks zouden we jaarlijks 300 miljoen kunnen investeren in schoolgebouwen voor Vlaams en Franstalig onderwijs. Dat komt neer op 45 scholen per jaar.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014