#GoLeft11: De koopkracht beschermen

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

18% van de ondervraagden vindt dat de koopkracht tot de top 3 behoort van de problemen die we eerst moeten aanpakken. 52% wil de index vrijwaren als mechanisme waardoor lonen en uitkeringen gelijk opgaan met de werkelijke stijging van de levensduurte.
36% is voor maximumprijzen voor basisproducten zoals wonen, voeding en energie.

 

Vaststellingen

Eén. De regering knoeit voortdurend aan de index om de reële lonen te verlagen.

Jaar na jaar wordt het leven duurder. We voelen dat. Maar was België dan niet een van die zeldzame landen van Europa met een indexmechanisme, de sociale verworvenheid waardoor de lonen zich automatisch aanpassen aan de index van de consumptieprijzen?

Onze buren hebben dat niet, die automatische aanpassing. Daar moeten de vakbonden telkens weer gaan onderhandelen en actie voeren voor een aanpassing van de lonen aan de levensduurte. Jarenlang is dat de vakbonden in Duitsland niet gelukt, wat de koopkracht deed dalen.

 

En bij ons? De prijzen van 611 producten (brood, vlees, koelkasten, filmtickets…) worden elke maand gecontroleerd. Van zodra de som van deze prijzen boven een bepaald niveau ligt, worden de lonen en de uitkeringen na een bepaalde tijdspanne automatisch verhoogd.

Toch gaat de koopkracht achteruit. Hoe kan dat nu? Omdat de prijsstijgingen maar “gedeeltelijk en met vertraging” doorberekend worden, zo zegt de Nationale Bank van België. Hoe komt dat? De index afschaffen is moeilijk. Dat zou te veel verzet oproepen. De opeenvolgende regeringen gebruikten een omweg om het indexeffect beperkt te houden, in naam van de “verlaging van de loonkosten”.

Zo waren er in de jaren 1980 drie indexsprongen. En in 1993-94 ging de regering onder druk van de werkgevers sjoemelen met de index. De regering kwam op de proppen met wat ze de “gezondheidsindex” noemde. Voortaan zou ze geen rekening meer houden met prijsstijgingen voor diesel, benzine, tabak en alcohol. Maar net de brandstofprijzen zijn de afgelopen jaren zo goed als verdubbeld.

De studiedienst van de PVDA berekende (in 2012) dat de opeenvolgende indexmanipulaties de werknemers een verlies aan koopkracht hebben bezorgd van gemiddeld netto 287 euro per maand.

 

In 2013 stopte de regering ook de prijzen van de solden en van witte producten in de indexkorf. Niet mis te verstane doel: de stijging van de index afremmen. In 2014 werd de index nogmaals gewijzigd met de invoering van de “kettingindex”. Dat mechanisme komt van de VS, maar de sociale beweging heeft het daar met succes bestreden. Talrijke Amerikaanse studies hebben aangetoond dat deze “kettingindex” de inkomsten van de loontrekkers, met name van de armste, sterk zou hebben afgeremd.

 

Twee. De prijsstijgingen van de afgelopen jaren slaan vooral op de basisproducten.

Een onderzoek van de Waalse federatie van OCMW’s wees uit dat tussen 2008 en 2012 de kost van het boodschappenkarretje voor een gezin met een laag inkomen is gestegen met 10%. De huren in Brussel stegen de laatste 10 jaar met 45%. Sinds 2004 ging de prijs voor elektriciteit met 39% omhoog en voor gas met… 65%. Energie is voor ontzettend veel mensen een bovenmatige uitgavenpost.

Al deze prijsstijgingen hebben betrekking op levensnoodzakelijke goederen, die niet integraal in de index zitten. Die wordt berekend met andere producten. Terwijl het juist deze basisproducten zijn die een veel grotere plaats innemen in het huishoudbudget van gezinnen met een laag inkomen. Vandaar dat het inkomen van deze gezinnen – zelfs met de indexaanpassingen – veel minder snel steeg dan de evolutie van de prijzen. Ze hebben aan koopkracht ingeboet.

 

Drie. De regering komt tussen om de lonen te bevriezen.

De regering-Di Rupo steunde zich op de wet van 1996 over de loonnorm om met behulp van Koninklijke Besluiten de lonen te blokkeren. De maximaal toegelaten loonsverhoging bovenop de index bedroeg 0% in 2011, 2013 en 2014 en 0,3% in 2012.

Het Europese Vakbondsinstituut publiceerde de stijging van de reële lonen in 28 Europese landen tussen 2009 en 2012. De Belgische lonen zijn in die periode met amper 0,09% gestegen. Het komt erop neer dat de Belgische werknemers in die 4 jaar een loonbevriezing te verduren kregen. Onze reële lonen liggen vandaag op het niveau van de lonen van 2004.

 

Het argument voor deze blokkering is dat de Belgische lonen hoger liggen dan in onze buurlanden. Dat klopt niet. Als we rekening houden met al de vrijstellingen (voor samen 11 miljard euro), die de werkgevers kregen op het vlak van de lonen, dan stijgen de Belgische lonen zelfs iets trager dan in de buurlanden.

De loonbevriezing is ook gevaarlijk: ze verergert de crisis. De Nationale Bank van België berekende dat ons land in 2012 een jaar van economische achteruitgang kende als gevolg van de vermindering van de uitgaven van de gezinnen en van de overheidsuitgaven. Dat de gezinnen minder besteden is logisch aangezien hun reële inkomen is gedaald.

 

Vier. Het inkomensverschil tussen werknemers en grote patroons wordt groter.

De grote CEO’s en managers keren zichzelf buitensporige lonen uit met bovenop bonussen, stock options en andere voordelen. Sommige werkgevers uit de Bel 20 verdienen vijftig keer meer dan werknemers van hun bedrijf.

Met al haar voordelen en premies zal de nieuwe baas van Belgacom, mevrouw Leroy, ondanks alle mooie woorden over lagere lonen voor topmanagers bij de overheid, 800.000 euro per jaar verdienen. Ook het loon van de directeur van de Nationale Bank ligt boven 500.000 euro per jaar. Een flink pak hoger dan wat de meeste van zijn collega’s in Europa verdienen.

 

Vijf. Het aantal arme mensen met een baan stijgt. Veel deeltijdsen of mensen met een zeer laag loon hebben een inkomen onder de armoedegrens.

Het aantal vrouwen en mannen met een baan die moeten aankloppen bij het OCMW om een aanvulling op hun inkomen te krijgen, is in tien jaar tijd verdubbeld. Meer en meer mensen hebben een inkomen dat lager ligt dan de risicogrens voor armoede. Concreet gaat het om een inkomen van minder dan 1000 euro per maand voor een alleenstaande. Of minder dan 1600 euro per maand voor een alleenstaande moeder met twee kinderen.

Deze cijfers zijn het resultaat van een beleid dat de arbeidsmarkt ontwricht.

 

Zes. De regering zet de aanvallen op de indirecte lonen verder.

“Iedereen weet dat in België de arbeid te veel belast wordt”, horen we dikwijls. “Minder lasten op arbeid, dat is meer geld op mijn bankrekening.” Helaas, dat klopt niet. Werknemers denken aan hun belastingen, maar werkgevers (en de traditionele partijen) interpreteren het anders: zij willen het indirecte loon naar beneden. En dat brengt niets op voor de burger.

 

De totale loonlast voor de werkgever bestaat uit het brutoloon plus de patronale sociale bijdragen. Die bijdragen behoren tot het indirecte loon, ze zijn goed voor ongeveer 35% van het brutoloon. In het indirecte loon zit het vakantiegeld, de kinderbijslag en de ziekte- en invaliditeitsverzekering, plus de uitkeringen voor de pensioenen, de bruggepensioneerden en de werklozen van vandaag. Het indirecte loon is een vorm van uitgesteld loon, dat u toekomt als “loon” in geval van ziekte, werkloosheid of pensioen.

De traditionele partijen willen de lasten op arbeid voor de werkgevers verlagen door dat indirecte loon te verminderen. Wij gaan daar niets bij winnen, integendeel. Door het indirecte loon te verminderen zet de regering de financiering van de sociale zekerheid op het spel. Dat kan ze alleen compenseren door minder vakantiegeld, lagere pensioenen en lagere ziekte-uitkeringen, of door andere inkomsten te gaan zoeken, zoals bijvoorbeeld een btw-verhoging of “milieutaksen”.

 

De opeenvolgende regeringen realiseerden al een daling van de “loonlasten” voor een totaalbedrag van 11 miljard euro per jaar. De regering-Di Rupo besliste nogmaals drie keer 450 miljoen loonlastverlaging toe te kennen, begrijp wel: 3 keer 450 miljoen cadeau aan de bedrijven. Dat zal gebeuren in 2015, 2017 en 2019, telkens in het jaar van een nieuw interprofessioneel akkoord.

 

We weten dat nog nooit enig onderzoek heeft uitgewezen dat verlaging van het indirecte loon, de tewerkstellingssubsidies, de fiscale cadeaus enzovoort ook maar iets opleverden voor de werkgelegenheid. Dit beleid brengt alleen de sociale zekerheid en de openbare diensten in nauwe schoentjes.

 

Zeven. Steeds meer van de geproduceerde rijkdom gaat naar de winsten, steeds minder naar de lonen.

Tussen 1981 en 2011 stegen de primaire bruto bedrijfsinkomsten van 8,1 naar 69,5 miljard euro, een stijging met 758%. Na aftrek van de inflatie gaat het nog om een stijging van 282% of een jaarlijkse toename van 4,57%.

In dezelfde periode zijn de primaire inkomsten van de werknemers gestegen met 367,9% of 108,3% na aftrek van de impact van de inflatie. Dat is een jaarlijkse toename van 2,47%.

Het inkomen van bedrijven en van hun aandeelhouders nam dus praktisch tweemaal zo snel toe als dat van de werknemers. Het aandeel in de geproduceerde rijkdom (het bbp), ingepalmd door de bedrijfswinsten, is in dertig jaar verdubbeld. Was dat aandeel op het niveau van 1981 gebleven, dan zou er per jaar 36 miljard euro meer ter beschikking zijn voor de lonen in de privé. Per werknemer komt dat gemiddeld neer op 1200 euro bruto meer per maand.

 

Acht. Er blijven grote loonverschillen bestaan tussen mannen en vrouwen.

In 2010 bedroeg het loonverschil tussen mannen en vrouwen 22%. Volgens de minister van Arbeid is dat verschil “de afgelopen jaren maar zeer lichtjes verminderd”. In de privésector lopen de loonverschillen tussen mannen en vrouwen zelfs op tot ver boven 30%. Toch zijn deze loonverschillen geen onvermijdelijkheid. Bij de overheid liggen ze veel lager omdat “de lonen in de administratie veel sterker gereglementeerd zijn”.

 

Vrouwen werken veel meer dan mannen deeltijds. Afgezien van de verschillen in uurloon heeft deeltijds werk natuurlijk een grote invloed op het maand- en jaarinkomen. Maatregelen die de toegankelijkheid van crèches en kinderopvang beperken (bijvoorbeeld de vermindering van de aftrekken voor de kosten van kinderopvang) of maatregelen die de loonvoorwaarden voor deeltijds werkenden verslechteren, hebben dan ook veel meer invloed op vrouwen.

 

De visie van de PVDA+

Overal in Europa liggen dezelfde plannen op tafel om “uit de crisis te geraken”: spaarplannen en plannen die de koopkracht aantasten. De grote bedrijven eisen, in naam van de heilige koe van de competitiviteit, de verlaging van de loonkosten. Maar als alle werknemers in elk land tegelijk de broeksriem aanspannen, dan zullen de overheidsuitgaven stijgen als gevolg van de hogere werkloosheid en zullen de fiscale inkomsten dalen als gevolg van een daling van de koopkracht. Het systeem zit op een hellend vlak richting zelfvernietiging, een proces waarbij grote stukken van de economie worden verwoest.

Sinds 2008 zien we in de grote bedrijven een ongebreidelde afslanking op de lonen, op de tewerkstelling, op de arbeidsomstandigheden... Met als resultaat dat de winsten uit de pan swingen zonder dat sprake is van enige reële heropleving van de economie.

De bedrijven gebruiken de winstexplosie niet voor productieve investeringen. De winsten worden opgepot. Met die munitie kunnen de sterkste bedrijven op het gepaste moment het gras wegmaaien voor de voeten van hun verzwakte concurrenten en zo een groter marktaandeel binnenrijven. Multinationals zorgen zo voor nieuwe, nog scherpere concurrentie. Het is de kiem van weer nieuwe, nog diepere crisissen in de toekomst. Veel liquide middelen gaan ook naar dividenden voor de aandeelhouders, met nettorendementen van 15% en meer.

 

De Europese Commissie en veel economische en politieke leiders in Europa, ook in België, zien als uitweg: het Duitse model. Duitsland is wereldkampioen export. De Duitse (export-)bedrijven maken volop winst. Duitsland heeft nog steeds een kleine groei.

Maar het Duitse model is gebaseerd op loondumping, precaire jobs en een leger van miljoenen arme werkers. En dus is het ook niet exporteerbaar want dat zou de vraag overal nog verder ondermijnen en de crisis nog verergeren.

Het is ook niet exporteerbaar omdat de export van de ene de import van de andere is. Omdat Duitsland uitvoert naar de zuidelijke landen van Europa moesten die zich in de schulden steken om hun import te betalen, en hun eigen economie naar de verdommenis laten gaan.

 

De eerste vraag in het debat over de lonen is: wie is verantwoordelijk voor de crisis? En wie moet betalen? Heeft de loonkost de crisis veroorzaakt? Of is het de winstjacht?

We weten: de inkomsten van de bedrijven en hun aandeelhouders zijn bijna tweemaal zo snel gestegen als die van de werkers. De geproduceerde rijkdom is niet kleiner geworden, integendeel. Maar het deel ervan dat de werknemers ten goede komt, is verminderd. Het zijn de lasten op kapitaal die wegen op de economie en op de bedrijven: de winstuitkeringen aan de grote aandeelhouders. Die zijn in acht jaar tijd verdrievoudigd. Als uw baas u vandaag zegt dat uw loon moet bevroren worden, dan is dat omdat de aandeelhouders een hoger dividend eisen.

 

Het zijn de werkers die rijkdom en welvaart produceren. Die welvaart moet hen ten goede komen: rechtstreeks onder de vorm van een degelijk loon en indirect via openbare diensten, sociale zekerheid, overheidsinvesteringen in wetenschappelijk onderzoek en in werkgelegenheid enzovoort. Het moet een doel van de arbeidersbeweging zijn geleidelijk het aandeel in de geproduceerde rijkdom dat we sinds de jaren 80 zijn kwijtgeraakt, terug te winnen.

In dat verband moeten we ook de index beschermen en elke poging afweren om de index te manipuleren en af te remmen. We willen terug naar de “normale” index.

 

We kunnen de prijzen van basisproducten (zoals voeding, energie, huur…) niet zomaar overlaten aan de wetten van de vrije markt. Vooral omdat de index maar heel gedeeltelijk de prijsevolutie volgt van die basisproducten. Ze moeten gecontroleerd worden, om te voorkomen dat gezinnen verarmen. Er moet een systeem van maximumprijzen komen zoals dat vroeger nog heeft bestaan voor het brood.

 

De werknemers moeten hun deel van de jaarlijkse productiviteitsgroei, waardoor ze meer rijkdom produceren in dezelfde tijdspanne, kunnen opeisen. Ze moeten vrij kunnen onderhandelen over collectieve loonsverhogingen, zonder dat de regering daar tussenkomt.

 

Om te grote loonverschillen te vermijden, en om werkende mensen uit de armoede te halen, moet het minimumloon 60% van het gemiddelde brutoloon bedragen.

We willen ook een maximumloon voor de managers van overheidsdiensten of bedrijven waarin een overheidsorgaan meerderheidsaandeelhouder is. Dat mag maximaal 5 keer hoger liggen dan het laagste loon in het bedrijf.

 

Het verkleinen van de loonverschillen tussen mannen en vrouwen moet tot de prioriteiten van de regering behoren. Om die loonverschillen weg te werken willen we het minimumloon optrekken en de lonen en verlofregelingen (zwangerschapsverlof, moederschaps- en vaderschapsverlof, kredieturen) beter reglementeren, zodat er minder discriminatie is. We willen de verschillen ook terugdringen door deeltijds werk, waar vooral vrouwen mee te maken krijgen, niet langer aan te moedigen. We schaffen flexibele arbeidscontracten af en we vervangen extra werkuren door gewone overuren.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. De index beschermen. Herstel van de “normale” index en afschaffen van de gezondheidsindex. De brandstofprijzen moeten opnieuw in de indexkorf worden opgenomen.

 

2. Controle op de prijzen voor basisproducten (voeding, energie, huur...). Invoering van een systeem van maximumprijzen.

 

3. Intrekking van de wetten en besluiten die de loonbevriezing organiseren (wet van 1996 op de loonmatiging en het KB van 28 april 2013, dat de maximale loonmarge vastlegt op 0%). Vakbondsvrijheid om krachtsverhoudingen op te bouwen en te onderhandelen met het oog op het bekomen van interprofessionele loonsverhogingen.

 

4. Optrekken van het minimumloon tot 60% van het gemiddelde brutoloon.

 

5. Invoering van een maximumloon in alle openbare diensten en bedrijven waarin de overheid meerderheidsaandeelhouder is, gelijk aan maximum 5 keer het kleinste loon in dat bedrijf.

 

6. Geen verlaging meer van de sociale werkgeversbijdragen en geen nieuwe fiscale cadeaus.

 

7. Opheffing van de loonverschillen tussen mannen en vrouwen:

– Loonreglementering in de privé naar het voorbeeld van de overheidsbedrijven met als doel de loonverschillen tussen mannen en vrouwen terug te dringen.

– Geen aanmoediging meer van deeltijds werk. Extra werkuren vervangen door overuren, afschaffen van flexibele arbeidscontracten.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014