#GoLeft10: De publieke diensten uitbouwen

Uit de verkiezingsenquête van de PVDA

89% van de ondervraagden in onze enquête gaat helemaal akkoord of eerder akkoord met de stelling: “Om de crisis te bestrijden moet de overheid ingrijpen in de economie. Ze moet vertrekken van de behoeften van de mensen, niet van de winst.

 

Vaststellingen

Eén. Privatisering en commercialisering van de openbare diensten = minder, duurdere en ingewikkelde diensten. En meer winst voor de privé.

De jaren 90 brachten de liberalisering van de energie en de telecommunicatie, en de privatisering van de banken. De diensten werden duurder; de mensen verdwaalden in de prijzenjungle, het personeel werd uitgeperst als een citroen, gedreven door commerciële prestaties, ten koste van de dienstverlening. De jaren 2000 brachten de liberalisering van de Post en de NMBS. Het leidde tot de afbraak van de arbeidsvoorwaarden, maar ook van de dienstverlening. En nu dreigt de liberalisering van het stedelijk openbaar vervoer en het water, en de extreme commercialisering van de zorgsectoren (rusthuizen, hulp voor mindervaliden…).

De bedoeling is telkens: de rendabele delen afscheiden zodat ze interessant worden voor het privékapitaal. Openbare diensten worden een nieuwe markt voor het kapitaal in crisis.

De Europe Unie promoot deze politiek van liberalisering en privatisering. De regering volgt de Unie daarin. Belangrijke sectoren die interessant kunnen zijn voor privéondernemingen, zijn vandaag nog openbaar bezit. Zij worden nu onder vuur genomen, met een ideologisch offensief dat begrippen hanteert als “responsabilisering” en “reële kostprijs” (mensen laten betalen wat de dienst effectief kost). In de praktijk leidt dat offensief tot duurdere openbare diensten en tot privatiseringen met als drogreden dat bepaalde diensten niet behoren tot de kerntaken van een overheid.

 

Twee. “De privé werkt beter dan de publieke sector.” Vraag dat maar aan Fortis en Dexia!

“Minder staatsinmenging, de privé is efficiënter dan de staat”, herhalen de lofzangers van het neoliberalisme. Maar geen enkele studie maakt deze stelling hard. Integendeel. 130 jaar lang werden banken als de ASLK en het Gemeentekrediet beheerd door de openbare sector. Dat functioneerde zeer goed. Maar toen ze verkocht werden aan de privé duurde het geen tien jaar voordat ze failliet gingen. De overheid moest met miljarden tussenkomen om ze te redden. Het is dus de privé die zich niet bekwaam heeft getoond om zulk een belangrijke sector als die van de banken te beheren.

Erger nog, dit private banksysteem heeft een doorslaggevende verantwoordelijkheid in de crisis van 2008. En welke les hebben deze banken daaruit getrokken? Dat ze konden doen wat ze wilden. De staten gingen hen toch redden wegens too big to fail.

 

Maar de logica is: als de staat fondsen toekent, moet hij ook aan het roer staan, en het gebruik van dat geld controleren in het belang van de mensen. De bankenwereld is veel te belangrijk om hem in handen van de privé te geven, die de neiging heeft met vuur te spelen.

 

Drie. De commercialisering van de zorgsector. Van baby’s tot bejaarden: voor winstbejag is leeftijd van geen tel.

Volgens het Planbureau moesten in 2013 60.000 nieuwe banen bijkomen in de non-profitsector. In verschillende subsectoren zijn er wachtlijsten. Zo moet je soms zes maand wachten voor een afspraak in een centrum voor mentale gezondheid. In de gehandicaptenzorg heeft Vlaanderen een wachtlijst van 26.000 mensen. Ongeveer 20.000 van hen wachten op een vorm van voorziening. Zowat 6.000 mensen wachten op een persoonlijk assistentiebudget. Het geld voor de non-profit is volstrekt ontoereikend om te beantwoorden aan de verhoogde vraag.

De privé springt in dat gat om de zorgsector over te nemen. Want of het om baby’s of bejaarden gaat, voor de privégroepen zijn andere zaken dan de leeftijd van tel.

 

Eerst de kinderopvang. Om het hoofd te bieden aan het plaatsgebrek, gebruikte het beleid twee mirakelrecepten om snel het aantal kinderopvangplaatsen te verhogen: de onthaalouders die het, ondanks alle beloftes, nog altijd moeten stellen met een nepstatuut en goed zijn voor 36% van de opvangplaatsen. En daarnaast de zelfstandige initiatieven, die beperkt worden gesubsidieerd, aan minder normen zijn onderworpen en winst mogen maken. Zij zorgen voor 43% van het plaatsaanbod, een stijging met 10% in 5 jaar.

 

De druk is groot om nog meer gewicht te geven aan de commerciële initiatieven. De eerste doelstelling is dan: een winstgevende activiteit ontplooien op een markt. De overheid dient dan alleen nog om de ouders te ondersteunen bij de dure betaling van deze diensten. (Met kinderopvangcheques bijvoorbeeld.)

Een nieuw Vlaams decreet voor de opvang van baby’s en peuters staat in de steigers. Iedereen die kinderopvang aanbiedt, zal een vergunning moeten hebben en de regels zullen voor iedereen dezelfde zijn. Wel is er een onderscheid tussen kleinschalige gezinsopvang (“de onthaalouders”) en anderzijds de groepsopvang (de crèches en kinderdagverblijven). Er zijn ook duidelijke voorwaarden inzake opleiding en tewerkstelling. Maar de begeleidingsnorm – het aantal kinderen per begeleider – is veel te hoog. Bovendien wordt de prijs van de opvang niet gekoppeld aan de inkomens: crèches kunnen hun eigen tarieven blijven hanteren. Ze zullen ook geen extra inspanningen moeten doen om plaatsen te voorzien voor een divers publiek. In plaats van een meer toegankelijke en betaalbare opvang zou dat wel eens kunnen eindigen met een heel duur kostenplaatje. Dat allemaal omdat het niets mag kosten aan de overheid: het moet een budgettaire nuloperatie worden.

 

Dan de ouderen. Het aantal woongelegenheden in rusthuizen (ROB’s) en rust- en verzorgingstehuizen (RVT’s) zal de komende 40 jaar met bijna 60% moeten stijgen, naar 205.000. Voor de komende tien jaar moeten er 24.300 bedden bijkomen. Het is dan ook een interessante sector voor privé-investeerders. In Vlaanderen wordt de helft van de ROB’s en RVT’s beheerd door vzw’s (vaak vanuit christelijke caritatieve hoek), 40% door de overheid (voor het merendeel vanuit de OCMW’s) en 10% door commerciële privé-initiatieven. Momenteel gaan heel wat familiale rusthuizen over in handen van commerciële groepen. Beursgenoteerde investeringsmaatschappijen zoals Cofinimmo, Waterland en Ackermans & van Haaren investeren geld in rusthuisinfrastructuur. Ze kopen initiatieven op die ze dan verhuren of in erfpacht geven aan commerciële zorggroepen zoals de Senior Living Group, Senior Assist, Armonea of Orpea, die rusthuizen uitbaten. Die commerciële zorggroepen doen dat ook uit winstoverwegingen. Schaalvoordelen zijn belangrijk om winstmarges te vergroten.

 

Heel wat gemeenten willen uit zuiver financiële overwegingen wel van hun openbaar rusthuis af. Als je de OCMW-rusthuizen als norm neemt (index 100), dan hebben vzw’s een personeelsomkadering van 92,5 en de privésector maar een van 71,3. In een privérusthuis moeten zeven mensen dus het werk doen van tien mensen in een OCMW-rusthuis. De kwaliteit van de zorg lijdt onder de veel te krappe personeelsomkadering in de privérusthuizen.

 

Vier. Post en NMBS: een dure CEO met een hard beleid voor de mensen.

Bpost, de Belgische post, staat nu op de beurs genoteerd. Om van die beursgang een succes te maken moest het bedrijf aantrekkelijk zijn voor investeerders: een gesaneerde, flexibele onderneming met een hoge winstmarge. De openstelling voor concurrentie van de Belgische post heeft al zware gevolgen gehad voor de kwaliteit van de dienstverlening en voor het personeel. De dividenden en andere uitkeringen aan de aandeelhouders stegen van 42,4 miljoen in 2006 naar 390 miljoen in 2011, negen keer meer. In diezelfde periode daalde het aantal postbeambten van 35.207 naar 27.973: een achteruitgang met 20,55%.

De gebruikers zien de dienstverlening over de hele lijn verslechteren: heel wat postkantoren gaan dicht, er zijn vergissingen bij de postbedeling en brieven gaan verloren. Geleidelijk verdwijnt de maatschappelijke rol van de post.

In 2001 waren er 1342 postkantoren. In 2011 heeft bpost nog slechts 676 kantoren en 697 postpunten. Sinds 2005 verdwenen 4.000 rode postbussen uit het straatbeeld.

België behoort vandaag tot de Europese landen met de kleinste dichtheid van vaste postkantoren per aantal inwoners.

Het beheerscontract vermeldt dat bpost erover zal waken de sociale rol van de postbode ten aanzien van geïsoleerde en minder bedeelde personen te verzekeren. Maar vandaag krijgen de postbodes daar niet meer de nodige tijd voor. De werkstress neemt hand over hand toe. Postbodes en sorteerders in een sorteercentrum maken permanent reorganisaties mee. In een groot postkantoor, waar vroeger 125 postbodes werkten, zijn ze vandaag voor hetzelfde werk nog maar met 75. Het strategisch plan Visie 2020 plant een verdere daling van het personeel met 10.800 eenheden tegen 2020.

Nog niet zolang geleden was alle personeel bij de post statutair, ambtenaren dus. Eind 2009 creëerde bpost een nieuw (sub-)statuut: hulppostbodes, met maandelijks 200 à 300 euro minder loon, zonder eindejaars­premie en met een aantal verlofdagen minder. En dat allemaal voor hetzelfde werk en op exact dezelfde dienst.

 

Eind 2013 en begin 2014 lagen de hoge salarissen van de CEO’s van openbare ondernemingen als een pijnpunt op de regeringstafel, maar de oorzaken ervan bleven onbesproken. Want als je opteert voor een model van openbare dienst als een beursgenoteerd bedrijf dat functioneert volgens de rentabiliteitslogica van alle grote privé-ondernemingen, dan wordt het moeilijk om aan te vechten dat dezelfde “marktwetten” ook de regels gaan bepalen in verband met de verloning van het leidinggevende kader. Zo’n bedrijven willen de vermeende “beste” leiders aantrekken, die een agressieve stijl van leiden hebben en die in hun bagage contacten hebben met grote investeringsfondsen en met de beurs, zoals Johnny Thijs, die bij zijn oversteek vanuit Interbrew de private investeerder CVC aanbracht. In dat model moet de staat enkel dividenden opstrijken en zwijgen, gedegradeerd tot de rang van een gewone aandeelhouder. Deze staat zal de nieuwe CEO van bpost blijven betalen, tweemaal het salaris van de eerste minister, of 650.000 euro.

 

Bij de NMBS, het spoor, leidt de liberalisering tot chaos. De NMBS is sinds 1991 een “autonoom overheidsbedrijf” met het statuut van een nv. De aandelen ervan zijn nog in handen van de staat. Het spoorwegbedrijf wordt meer en meer beheerd als een private onderneming, met als onbevestigd doel de verkoop op middellange termijn van de mooie delen aan de privé.

Vandaag is het spoor een puinhoop, met vertragingen en overvolle treinen. Veel mensen voelen zich ook onveilig in de trein en het station. Het spoorwegpersoneel wordt er moedeloos van. Door het slechte materieel en het personeelstekort kan het onvoldoende service verlenen. Bovendien zouden in 2013 bijna 30.000 treinen zijn afgeschaft, dubbel zoveel als vijf jaar daarvoor.

Steeds vaker krijgt het treinpersoneel klachten, maar ook bedreigingen en agressie.

 

Zelfs het milieu lijdt onder de slechte spoorprestaties, want slecht openbaar vervoer stimuleert nog meer particulier vervoer. Gevolg: meer auto’s en langere files.

 

De oorzaak? Het noodlottige liberaliseringsbeleid van de Europese Unie, dat gesteund wordt door de regering. Dat beleid dwong de NMBS tot maatregelen om de concurrentie aan te gaan. Eind 2012 werden 193 als minder rendabel beschouwde treinlijnen afgeschaft. De NMBS bouwt haar personeelsbestand af. Van 41.300 voltijdse equivalenten in 2001 naar 34.500 vandaag. Dat heeft een invloed op de veiligheid, de service en het aanbod. Daar komt nog bij: de sluiting van loketten (45 stations met loketten) en hun vervanging door automaten, duurdere treinkaartjes, minder treinbegeleiders, minder hulp voor mindervaliden, minder personeel voor informatie aan de reizigers, minder personeel voor toezicht.

De begroting van 2013 zorgde voor 140 miljoen euro besparingen. Minister Jean-Pascal Labille voorziet voor 2014 een vermindering van 100 miljoen euro op de investeringstoelage en van 50 miljoen euro op de uitbatingstoelage. Zo worden de investeringen in het nationaal spoorwegnet afgebouwd. De projecten om de vaak verzadigde lijn tussen Brussel-Zuid en Oostende uit te breiden en om iets te doen aan de oververzadigde noord-zuidverbinding in Brussel zijn nog maar in de studiefase; er is nog niets besloten. Ook op de aankoop van rollend materieel wordt bespaard.

De regering bevestigde ook de opsplitsing van de bestuursorganen van de NMBS. Volgens EU-richtlijnen moet er namelijk op juridisch, organisatorisch en beheersvlak een scheiding worden gemaakt tussen het beheer van de infrastructuur – dat in overheidshanden blijft – en de spoorwegexploitatie, waarin ook privébedrijven kunnen meespelen.

De nieuwe structuur, sinds 2014, bestaat uit twee zelfstandige bedrijven: de NMBS spoorwegmaatschappij en de infrastructuurbeheerder Infrabel. Een rapport geeft nochtans aan dat de stiptheid van de treinen begon te verslechteren met de opsplitsing van de NMBS in diverse bedrijven, en volgens specialisten, onder andere van de federale spoorwegen in Zwitserland, een van de beste spoorwegnetten in de wereld, is de opsplitsing van het beheer van de lijnen en het treinverkeer fundamenteel fout.

De splitsing leidt tot een verstoring van het besluitvormingsproces en tot een aanzienlijke stijging van de kosten. Een hele reeks functies bestaan nu in tweevoud. Het personeel van stations of seinhuizen kan niet rechtstreeks informatie uitwisselen (bijvoorbeeld over de reden van een vertraging, een aansluiting, het opstappen van een groep...) Het personeel krijgt alleen toegang tot de informatie die door “het eigen bedrijf” verspreid wordt.

 

Vijf. De federale regering versast de bezuinigingen naar de gemeenten… en de wijkdiensten betalen het gelag.

In haast alle Belgische gemeenten luidt de besparingsklok. De portemonnee van de inwoners, de gemeentelijke dienstverlening en het gemeentepersoneel liggen in de budgettaire vuurlijn.

In Antwerpen wil het college het aantal stedelijke (wijk)kantoren verminderen en de werkuren flexibiliseren. Het aantal stadsambtenaren wordt teruggeschroefd met 1.420 banen. Wie overblijft, zal harder moeten werken. Een studie van het ACV geeft aan dat in de gemeenten 25.000 betrekkingen bedreigd worden in de komende jaren. In Schaarbeek steeg de prijs voor kinderopvang in sommige gevallen met 66%.

Voor sommige gemeentelijke diensten wordt de situatie onhoudbaar, vooral voor de sociale diensten. De OCMW’s zien dat het aantal personen in moeilijkheden aanzienlijk verhoogt, samen met de uitsluiting van werklozen, zonder dat het uitgetrokken budget voor de uitgaven stijgt. Integendeel, het Gemeentefonds, waarlangs de hogere overheid belastinggeld kan verdelen naar de steden en gemeenten, vermindert zijn deel in het budget van die steden en gemeenten. Dat Gemeentefonds vormt een solidariteitsmechanisme tussen rijke en arme gemeenten. De ontmanteling ervan drijft de arme gemeenten ertoe de belastingen en lokale taksen te verhogen om hun budget rond te krijgen.

De gemeentepolitiek wordt gedicteerd door een neoliberale logica. Dat is geen toeval, want ook het federale en het Europese niveau hanteren deze logica. Zo zijn er de budgetnormen die door het Europese Parlement werden goedgekeurd (het begrotingspact, de sixpack…). Die leggen alle beleidsniveaus een budgettair evenwicht op tegen 2016. Maar de gemeenten hadden in 2012 al een tekort van 1,3 miljard. Ze mogen hun tekorten dus niet meer aanvullen door een beroep te doen op hun reserves. De capaciteit om te investeren zal daardoor drastisch worden teruggeschroefd. Rampzalig, want zowat de helft van de openbare investeringen in België worden door de gemeenten gedaan.

 

De politiek van de citymarketing speelt steden en gemeenten tegen elkaar uit in een concurrentieslag voor privé-investeringen. Antwerpen spant hier de kroon. De begroting daar geeft voorrang aan projectontwikkelaars, handelaars en rijke toeristen. Zo krijgen het cruisetoerisme en het zakentoerisme 4 miljoen euro. De stad besteedt ook 4,5 miljoen euro belastinggeld om de uitstraling van de diamantsector te verbeteren. Die kampt met een negatief imago omdat hij manifest weigert belastingen en boetes te betalen. Op die manier wordt belastinggeld van de gewone inwoner cadeau gedaan aan de rijke elite. Dat soort investeringen vergroot de sociale kloof in de steden.

 

Zes. Openbaar ambt: de burger wordt een cliënt, de ambtenaar wordt uitgeperst als een citroen.

De regering-Di Rupo liet weten dat ze 22 miljard bespaard heeft zonder schade te berokkenen aan gelijk wie. Vanwaar komen die 22 miljard dan? Uit het niets? Vroeger werden in de openbare sector bijvoorbeeld vijf op vijf personen vervangen wanneer ze op pensioen gingen, nu is dat nog slechts één persoon op drie. Ziedaar een deeltje van de verklaring. En alle administraties van het land vragen zich intussen af hoe ze hun taken nog verder zullen kunnen vervullen.

 

Op vijf jaar tijd is het personeel in de federale ambtenarij teruggevallen met 4600 eenheden, en de Vlaamse ambtenarij met 1500. De opmerkelijkste daling zie je bij de ambtenaren van niveau D, vooral onder het technisch, administratief, keuken- en schoonmaakpersoneel.

 

Ook het ambtenarenstatuut wordt belaagd. Bij de federale overheid is vandaag zowat één op de vijf ambtenaren contractueel (niet vast benoemd). Op het Vlaamse niveau loopt dat aantal al op tot vier op de tien, en bij de lokale overheden is vaak meer dan de helft van het personeel contractueel. Zij hebben – niet zelden voor krak hetzelfde werk – een veel minder gunstige regeling voor ziekteverlof en pensioen, en geen of minder promotiekansen. De ministers willen nu het statuut van de vast benoemden degraderen tot het niveau van de contractuelen.

Vanaf 1 januari 2014 wordt een nieuwe “geldelijke loopbaan” voor de federale ambtenaren ingevoerd. In de nieuwe loopbaan zullen de vereiste “schaalanciënniteit” en het vereiste aantal gunstige evaluatievermeldingen de grondslag vormen voor de overgang naar een hogere schaal. Evaluaties met de vermelding “te verbeteren” of “onvoldoende” vertragen de overgang naar een hogere weddeschaal. Het betekent meteen het einde van de vaste benoeming, want de jaarlijkse evaluatie wordt gekoppeld aan de loopbaan: wie het goed doet, krijgt promotie; wie het slecht doet, vliegt buiten. Statutair of niet. De evaluatie wordt uitgevoerd door de directe overste, wat zal leiden tot willekeur en vriendjespolitiek.

Het zijn methoden van het privémanagement waarbij de gebruiker een cliënt wordt en de ambtenaar wordt uitgeperst als een citroen. Geen tijd meer om mensen te bedienen aan een loket, bijvoorbeeld om te helpen bij het invullen van een belastingaangifte.

 

De visie van de PVDA+

Wanneer je ’s morgens opstaat en heel vroeg de bus neemt, zijn er soms maar enkele mensen op de bus. Je bent blij dat die bus er is want er zonder zou je niet kunnen gaan werken. Dat is openbare dienstverlening. De openbare dienst is het georganiseerde algemeen belang. Het is geld dat we allemaal inbrengen om ons kwaliteitsdiensten te geven die voor iedereen bereikbaar zijn.

Dat is het tegenovergestelde van de liberale visie waarin iedereen zijn eigen diensten betaalt en dus afhankelijk is van zijn eigen mogelijkheden. Bij de openbare diensten geen concurrentiementaliteit van “elk voor zich”, die eigen is aan de markteconomie. Een overheidsdienst heeft nooit de bedoeling gewoon zoveel mogelijk winst te maken. Er is een overdracht van middelen van sectoren met een comfortabele winstmarge naar deficitaire sectoren.

 

Een overheidsdienst staat voor een aantal concepten zoals: de gelijkheid van de gebruikers, omdat de kosten verdeeld worden over alle belanghebbenden. De publieke dienstverlening is gespreid over het hele grondgebied, met dezelfde forfaitaire tarieven, of het nu om afgelegen of om stedelijke gebieden gaat, in functie van het behoud van de territoriale samenhang.

De toegankelijkheid tot publieke dienstverlening is voor iedere burger verzekerd, ongeacht zijn inkomen, dankzij de solidariteit tussen meer en minder welgestelde burgers.

Er wordt gezorgd voor continuïteit, omdat de te verlenen diensten essentieel zijn voor de burgers en omdat het algemeen belang primeert op criteria van financiële rendabiliteit.

 

De kwaliteit van de dienstverlening, maar ook de tewerkstelling veronderstellen doeltreffendheid. Er is dus geen sprake van zomaar het geld van de belastingbetaler over de balk te gooien. Er moet ook transparantie zijn, zonder politieke klantenbinding.

De bereidheid moet bestaan mee te evolueren met technologische en organisatorische veranderingen. Dat is nodig voor het goed functioneren van de openbare dienst en om aan de veranderende behoeften te voldoen.

Sociale rendabiliteit gaat boven financiële rendabiliteit. Als er winst gemaakt wordt, dan moet die dienen om het voortbestaan van de dienst te verzekeren. Winst mag geen doel op zich zijn.

Het statuut van de werknemers waarborgt dat de overheidssector zijn onafhankelijkheid behoudt, ongeacht politieke veranderingen.

Het is gunstig dat burgers ingeschakeld worden in de verbetering van de dienstverlening, met burgercomités die helpen nadenken over verbeteringen bij de gemeentelijke, regionale of federale diensten. Maar ook een betere controle op vakbondsniveau is nodig om de openbare diensten voor de mensen te waarborgen. Dat houdt in dat de globale filosofie van de openbare diensten wordt herzien.

Dan wordt het salaris van de ondernemingsleider niet gedefinieerd vanuit het oogpunt van de “marktwetten”, maar vanuit het invullen van de collectieve behoeften.

 

We leven in een maatschappij met veel eenzaamheid en individualisme en met veel depressies. We hebben allemaal dringend behoefte aan positief menselijk contact, we willen meer aandacht voor het sociale.

Vroeger konden verpleegkundigen patiënten geruststellen en begeleiden, maar nu hebben ze daar nog amper tijd voor. Dat geldt ook voor het verzorgend personeel in de rusthuizen. In de bus zijn de begeleiders afgeschaft. Die konden nog een babbeltje maken met reizigers. Leerkrachten kunnen leerlingen die het wat moeilijker hebben, niet meer van dichtbij volgen omdat de klassen veel te groot geworden zijn. En de postbode, die voor veel mensen de enige figuur was die ze op een dag te zien kregen en die een buurtfunctie vervulde, heeft daar nu geen tijd meer voor. De loketbedienden bij de post die via “de bank binnen ieders bereik” de mensen – ook de minderbedeelden – konden helpen, krijgen nu nog maar drie minuten per “klant” om hun verkoopdoelen te halen. Enzovoort, enzovoort. De ervaring leert dat wanneer de privé zich ermee gaat bemoeien, de overheidsdiensten hun sociale insteek verliezen.

 

Vandaar ons verzet tegen privatisering, commercialisering en liberalisering. Wij willen zorgaanbod voor de ouderen. We willen dat de kinderopvang, de NMBS, de post als openbare diensten behouden blijven en zich kunnen ontwikkelen.

Eerst de zorgverlening. In België is het zorgaanbod, hoewel overwegend privaat, nog altijd grotendeels georganiseerd door non-profitorganisaties. Maar de toegankelijkheid van het systeem wordt bedreigd door toenemende marktgebondenheid en commercialisering, zowel in de ziekteverzekering als in het zorgaanbod. Die brengen geen betere toegang, maar opsplitsing en risicoselectie. De overheid moet haar centrale rol in de ontwikkeling en sturing van solidaire zorg en welzijn onverminderd blijven opnemen en die rol niet overlaten aan de markt. De sociale zekerheid en voldoende financiële middelen van de overheden moeten borg staan voor een toereikend aanbod van zorg en welzijn. Breng de noden van de bevolking in kaart, beoordeel ze objectief en maak de nodige middelen vrij om aan de behoeften te voldoen. Doe niet langer een beroep op overgekomen personeel uit minder bevoordeelde landen, die zelf ook nood hebben aan geschoolde werknemers.

 

Kinderopvang zou, net als onderwijs, een vanzelfsprekendheid moeten zijn voor de samenleving. Het Kinderrechtencommissariaat noemt kinderopvang een basisvoorziening, die voor elk kind idealiter kosteloos toegankelijk zou moeten zijn, met aandacht voor kwaliteit en professionaliteit. Het Commissariaat zegt dat in de discussie over kinderopvang in Vlaanderen de economische functie nog te sterk doorweegt. Kinderopvang wordt dan bekeken als een middel om meer mensen (vooral vrouwen) aan het werk te krijgen en tegelijk als een oplossing voor ouders om arbeid en gezin te combineren. Maar net de ouders die het zwakst staan op arbeidsvlak, hebben veel minder toegang tot de opvang.

 

Het spoorwegennet beschikt over de troeven om een centrale rol te spelen bij het oplossen van de vervoers- en mobiliteitsproblemen. Ecologisch is de trein het beste alternatief. Hij is cruciaal voor de mobiliteit van mensen zonder auto en voor mindervalide personen.

De liberalisering van het spoor is een mislukking. Door de markt te laten spelen, werden de voorbije dertig jaar jaarlijks 1200 km wegen aangelegd in Europa, terwijl in dezelfde periode 600 km spoorweg per jaar verdween. Globaal genomen is het aandeel van het goederenvervoer per spoor afgenomen ten voordele van dat vervoer over de weg. De laatste decennia zijn in België zowat duizend spoorwegaansluitingen (met middelgrote en grote ondernemingen) afgeschaft. De liberalisering leidde ook tot een neerwaartse spiraal qua arbeidsomstandigheden, investeringen in materieel en veiligheidsmaatregelen.

 

Het openbaar vervoer heeft voldoende middelen nodig om een efficiënt, goedkoop openbaar transport te kunnen verzekeren. Het criterium voor de werking moet zijn: de tevredenheid van de reizigers. De rekeningen moeten door een democratisch orgaan geverifieerd worden, om verspilling door private raadgevers en onderaannemers te vermijden. Met een slagvaardige politiek kun je meer reizigers winnen voor het spoor: verlaag de prijzen in plaats van ze te verhogen; open nieuwe lijnen (qua aantal en frequentie). Het is nodig, sociaal en ecologisch. Je kunt het gebruik van de auto niet ontmoedigen zonder alternatieven in de plaats te stellen.

 

Onze visie is dat de overheid de kwaliteit van de postbedeling verzekert, het merendeel van de gesloten postkantoren opnieuw opent en ervoor zorgt dat alle post weer onberispelijk, met respect voor het briefgeheim, wordt uitgereikt en dat de sociale rol van de postbode in eer wordt hersteld. We willen de postdienst dicht bij de burgers zien. We willen de arbeidsvoorwaarden daar opnieuw opwaarderen en de post aanpassen aan de moderne communicatie: internet, cybercafé enzovoort.

 

Wij willen dat de bezuinigingspolitiek in het openbaar ambt stopt: op federaal en gemeentelijk niveau. De regeringsbesparingen dienen om de winsten van de grote bedrijven veilig te stellen. Die belangen primeren op die van de bevolking. Openbare dienstverlening en werkgelegenheid verschuiven naar het achterplan. Het zou veel logischer zijn in crisistijd meer oog te hebben voor de invulling van ieders basisbehoeften, zoals kinderopvang, huisvuilophaling…

Voor de gemeenten is het behoud van de openbare tewerkstelling en van een degelijke dienstverlening fundamenteel. Begrotingsmaatregelen moeten daar rekening mee houden. Sociale behoeften moeten voorrang krijgen. De opgelegde budgettaire beperkingen snijden de gemeenten financieel de adem af. Wij willen dat doorbreken via een herfinanciering van het Gemeentefonds.

 

De openbare diensten moeten opgewaardeerd worden. De federale en regionale overheden en de stadsbesturen beschouwen ze als een budgettaire last en als een prioritaire besparingspost. Maar voor ons is de openbare en sociale dienstverlening op het lokale vlak cruciaal.

 

Een stad behoort toe aan wie er woont en moet voor iedereen leefbaar en bereikbaar blijven. Wie het moeilijk heeft, wordt niet geholpen door luxueuze prestigeprojecten. Tegenover de citymarketing, die van het publieke domein een verkoopproduct maakt, stellen wij het recht op de stad: betaalbare woningen, kwalitatief onderwijs voor iedereen, degelijk openbaar vervoer.

 

Die visie botst frontaal met het Europese beleid. De overheid moet het initiatiefrecht krijgen, zodat ze de vernietigende concurrentie kan afwijzen, massaal kan investeren en de Europese dictaten over begrotings­evenwicht naast zich kan neerleggen. Om de uitbouw van een sterke publieke sector mogelijk te maken, moet Artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat hulp aan overheidsbedrijven verbiedt, ingetrokken worden.

Wij willen de bezuinigingspolitiek stoppen, daarom willen we het Begrotingspact weg, dat de staatsbudgetten opsluit in een keurslijf van beperkingen zonder einde.

 

De voorstellen van de PVDA+

1. Meer personeel in de non-profit. Er is een nijpend gebrek aan zorgverlening voor elke leeftijd: kinderverzorg(st)ers, kleuterleid(st)ers, verpleegsters en verzorgend personeel voor rust- en verzorgingsinstellingen en voor de opvang van mindervaliden. Om aan de noden te voldoen zijn tien- à twintigduizend banen nodig.

We willen een breed aanbod dat voor elk (idealiter) kosteloos toegankelijk is en waar aandacht is voor kwaliteit en professionaliteit. We willen de wachtlijsten weg.

 

2. De overheid dient haar centrale rol in de ontwikkeling en sturing van solidaire zorg en welzijn onverminderd te blijven opnemen. Ze mag die rol niet overlaten aan de markt. De sociale zekerheid en voldoende financiële middelen van de overheden moeten borg staan voor een toereikend aanbod van zorg en welzijn.

 

3. We willen een efficiënt, goed gespreid, veilig en goedkoop openbaar vervoer (trein, tram, bus). Hier moeten de prioriteiten dringend herzien worden.

We willen massaal investeren in een dicht vervoersnet voor reizigers en goederen. We willen het regionaal expressnetwerk (RER) bespoedigen. We willen kwaliteitstreinen. In deze optiek is het belangrijk dat de spoorwegmaatschappijen overheidsbedrijven blijven. Een harmonisering op Europees niveau op het vlak van veiligheid, trajecten en tarieven is perfect denkbaar zonder daarvoor het net te liberaliseren.

 

4. De post moet weer een openbare dienst worden, 100% in handen van de overheid. Ze moet de Beurs verlaten en de taken van openbare dienst verzekeren:

– Een postdienst dicht bij de burgers. Het merendeel van de gesloten postkantoren opnieuw openen.

– De sociale rol van de postbode in eer herstellen.

– Een openbare Bank van de Post.

– De arbeidsvoorwaarden weer behoorlijk maken.

– Zich aanpassen aan de moderne communicatie: internet, cybercafé enzovoort.

 

5. We willen de gemeentelijke sociale diensten behouden, tegen elke vorm van onderaanneming en privatisering. Schrap geen banen in de gemeentelijke diensten en de OCMW’s.

 

6. We willen op gemeentelijk niveau een moratorium op alle lasten, taksen en belastingen die de werknemers en kleine zelfstandigen treffen (parkeren, huishoudelijk afval…).

 

7. De federale staat en de Gewesten moeten via het Gemeentefonds de gemeentelijke financiering met 15% verhogen. Het geld voor deze herfinanciering moet van een miljonairstaks komen, en van de strijd tegen de fiscale fraude en ontduikingsmechanismen.

 

8. We willen de aderlating van de ambtenarij, federaal en regionaal, stoppen en het statuut voor de ambtenaren behouden.

 

Terug naar de inleiding en inhoudstafel

Meer weten

Uitgebreid programma 2014

Programma Europa 2014

Programma Vlaanderen 2014

Programma Brussel 2014