Highstreet, Oxford (Foto Kamyar Adl)

Studie: pensioenkloof tussen België en buurlanden loopt op tot 50 procent

auteur: 

Kim De Witte

De kloof tussen de Belgische pensioenen en die van de buurlanden loopt al op tot 50 procent. Alleen met Duitsland wordt de kloof kleiner: daar heeft men het pensioen met punten ingevoerd. Steeds meer Duitse gepensioneerden doen daardoor een beroep op Nothilfe (noodhulp). De PVDA-studiedienst bevestigt na deze studie opnieuw: de Belgische wettelijke pensioenen optrekken is nodig én mogelijk.

1. Pensioenkloof tussen België en zijn buurlanden.

1.1 Wettelijke pensioenrechten in vergelijking met onze buurlanden.

1.2 Vervangingsratio’s in vergelijking met de buurlanden.

1.3 Evolutie pensioenkloof met omliggende landen.

2. Oorzaken van de pensioenkloof

2.1 Niet de lengte van de loopbanen.

2.2 Wel de pensioenwetgeving.

3. Sterkere wettelijke pensioenen in België zijn mogelijk en nodig.

3.1 Private pensioenen zijn ongelijk, duur, risicovol en complex.

3.2 Wettelijke pensioenen zijn goedkoper en minder risicovol

4. Besluit

Samenvatting

De pensioenkloof tussen België en zijn buurlanden is groot. Een werknemer die 40 jaar gewerkt heeft en evenveel verdiende in België, Oostenrijk, Frankrijk, Luxemburg en Nederland heeft 40 tot 50 procent meer pensioen in die buurlanden dan in België.

We zien dat de pensioenkloof tussen België, Frankrijk, Luxemburg en Oostenrijk even groot bleef de laatste vier jaren. De pensioenkloof met Duitsland neemt af. Dit jaar zijn de Duitse pensioenen zelfs onder de Belgische pensioenen gezakt. Dat heeft te maken met het puntenpensioen dat in Duitsland werd ingevoerd in 2002 en sinds vorig jaar volledig van kracht werd. In Duitsland groeit de armoede onder ouderen. Steeds meer gepensioneerden moeten beroep doen op zogenaamde ‘noodhulp’.

De oorzaak van de kloof is niet het langer of minder lang werken, want we vergelijken werknemers die exact even lang gewerkt hebben. De oorzaak ligt bij de wetgeving over de wettelijke pensioenen, die veel minder voordelig is in België.

In de komende jaren riskeert de pensioenkloof tussen België en zijn buurlanden nog verder te stijgen. Dat blijkt uit een studie van het Planbureau, die aangeeft dat het wettelijk pensioen in verhouding tot het laatste loon voor mannelijke werknemers in België zal dalen met 10 procent.

De meerderheid van de Belgen houdt nochtans vast aan een goed wettelijk pensioen, zo blijkt uit enquêtes. Dat is ook de beste keuze: investeren in sterkere wettelijke pensioenen. Die zijn goedkoper, zekerder en minder ongelijk. Ze zijn ook betaalbaar, zoals Oostenrijk, Frankrijk en Luxemburg bewijzen.

1. Pensioenkloof tussen België en zijn buurlanden

1.1 Wettelijke pensioenrechten in vergelijking met onze buurlanden

Het wettelijk pensioen van Belgische werknemers ligt laag. Iemand die 40 jaar gewerkt heeft en een gemiddeld loon heeft verdiend, krijgt een pensioen van 1.195 euro per maand (bruto). Het wettelijk pensioen voor werknemers in België is ook laag in vergelijking met de buurlanden. Maar hoe laag juist? Hoe groot is de pensioenkloof tussen België en Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Luxemburg en Nederland voor iemand die exact even lang gewerkt heeft en evenveel verdiende?

Om de pensioenkloof te berekenen, nemen we een concreet geval: een mannelijke werknemer, vader van twee kinderen, die begin 2018 met pensioen is gegaan op 63-jarige leeftijd. De man is:

• geboren op 1 januari 1955
• na zijn studies onmiddellijk beginnen te werken op 1 januari 1978 (op 23-jarige leeftijd)
• verdiende een eerste jaarloon van 7.481,25 euro (dat is 300.000 BEF)
• kreeg een gemiddelde loonstijging van 5 procent per jaar (2,5 procent inflatie en 2,5 procent reële loonstijging, promoties en jobveranderingen inbegrepen)
• eindigde met een jaarloon van 47.466,55 euro in 2017 (na 40 gewerkte jaren)
• huidige gezinstoestand: alleenstaande (geen kinderen ten laste, noch een echtgenote)

Welk recht op pensioen heeft zo’n man opgebouwd in België, Duitsland, Oostenrijk, Luxemburg, Frankrijk en Nederland? Als we bovenstaande gegevens ingeven in de wettelijke pensioenverzekering van deze landen, dan komen we tot volgende pensioenbedragen (bruto):

Duitsland: 1.195,27 euro per maand1
België: 1.225,61 euro per maand2
Frankrijk: 1.744,40 euro per maand3
Luxemburg: 1.780,45 euro per maand4
Nederland: 1.823,33 euro per maand5
Oostenrijk: 1.889,19 euro per maand6

Een werknemer die exact even lang gewerkt heeft en exact even veel verdiend heeft, krijgt dus in Frankrijk 42 procent meer pensioen dan in België, in Luxemburg 45 procent meer, in Nederland 49 procent meer en in Oostenrijk 54 procent meer.

De vergelijking met Nederland is wel moeilijk te maken. Nederland kent geen wettelijke pensioenverzekering op basis van loon. Het kent wel een volksverzekering op basis van woonst. De hoger genoemde werknemer krijgt 1.173,33 euro per maand van de volksverzekering (de AOW of Algemene Ouderdomswet), indien hij vijftig jaar in Nederland heeft gewoond7. Daarnaast kent Nederland een verplichte aanvullende pensioenverzekering. Een werknemer die 40 jaar werkt aan een gemiddeld loon, bouwt een aanvullend pensioen op van ongeveer 650 euro per maand (bruto). In totaal brengt dat het Nederlands pensioen op 1.823,33 euro (bruto).


1.2 Vervangingsratio’s in vergelijking met de buurlanden

De OESO berekende eind 2017 de verhouding van de wettelijke pensioenen tot de lonen in de verschillende OESO-landen. Ze deed dit apart voor lage, gemiddelde en hogere inkomens (nettobedragen). De berekeningen van de OESO bevestigen de resultaten hierboven.

Tabel 1. Bron: OESO, Pensions at a Glance 2017, december 2017, tabel 4.8 op p. 107 (hier te raadplegen)

Het Planbureau berekende bovendien dat de vervangingsratio’s van het wettelijk pensioen voor mannelijke werknemers in België zullen zakken met maar liefst 10 procent in de komende jaren8. De oorzaak ligt onder meer bij het schrappen van de pensioenbonus door de regering-Michel.

1.3 Evolutie pensioenkloof met omliggende landen

Tabel 2 geeft een vergelijking van de pensioenkloof tussen België en de omliggende landen gedurende de laatste vier jaar.

Tabel 2. Bron: Studiedienst PVDA, Pensioenkloof, edities 2015, 2016, 2017 en 2018.

We zien dat de pensioenkloof tussen België en Frankrijk, Luxemburg en Oostenrijk even groot blijft. In die landen krijgt een werknemer 40 tot 50 procent meer pensioen. De pensioenkloof met Duitsland neemt af. Dit jaar zijn de Duitse pensioenen zelfs onder de Belgische pensioenen gezakt. Dat heeft alles te maken met het puntenpensioen dat in Duitsland werd ingevoerd in 2002 en sinds vorig jaar volledig van kracht ging. Daardoor zijn de pensioenen in Duitsland al met 10 procent gedaald ten opzichte van de lonen.
Tot slot is ook de kloof met Nederland verkleind. Zoals gezegd is de vergelijking met Nederland complexer. Een groot deel van de pensioenbescherming is daar geprivatiseerd.  Het verschil met veel andere landen is dat de private pensioenen er verplicht zijn (verplichte bijdragen door de werkgevers in grote private pensioenfondsen). Met de laatste financieel-economische crisis en de lage rentes op de internationale kapitaalmarkten sindsdien, hebben deze private pensioenfondsen in Nederland zeer zware klappen gekregen. Vele fondsen hebben de uitkeringen aan hun leden verlaagd.

2. Oorzaken van de pensioenkloof

2.1 Niet de lengte van de loopbanen

Op de vraag waarom de pensioenen in België zo laag liggen, antwoordt minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR) steevast dat dit vooral te maken heeft met de lengte van de loopbanen.

Het recente onderzoek toont aan dat dit niet klopt. Iemand die exact even lang gewerkt heeft en exact evenveel verdiend heeft in België, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Luxemburg en Nederland, heeft het laagste pensioen in België. Het lage pensioen heeft dus te maken met het Belgische pensioenstelsel zelf, niet met langer of korter werken.

2.2 Wel de pensioenwetgeving

Het Belgische pensioenstelsel voor werknemers is minder gunstig dan in de buurlanden. Een Belgische werknemer die 45 jaar gewerkt heeft, krijgt een pensioen gelijk aan 60 procent van het gemiddelde inkomen. 

In Frankrijk is de loopbaan korter. Het wettelijk pensioen voor werknemers bestaat uit twee delen: een basisbedrag, gelijk aan 50 procent van het loon van de 25 beste jaren, en een extra bedrag, gelijk aan een percentage van de bijdragen aan de sociale zekerheid. Het basispensioen in Frankrijk is vaak al even hoog als het wettelijk pensioen in België. Het tweede bedrag schommelt tussen de 200 en de 2000 euro. In de casus hierboven is het extra bedrag 604 euro per maand. In Oostenrijk bedraagt het pensioen 72 procent van het loon van de beste 15 jaar. In Luxemburg is het minimumpensioen na een loopbaan van 40 jaar 1.780,45 euro per maand. Hogere inkomens trekken nog veel hogere wettelijke pensioenen.

3. Sterkere wettelijke pensioenen in België zijn mogelijk en nodig

3.1 Private pensioenen zijn ongelijk, duur, risicovol en complex

In plaats van de wettelijke pensioenen te versterken, bouwt de regering-Michel ze verder af: de pensioenbonus is afgeschaft (179,4 euro minder pensioen per maand voor iedereen die tot zijn 65 jaar doorwerkt), een aantal gelijkgestelde periodes worden afgebouwd (loopbaanonderbreking, bepaalde vormen van tijdskrediet, brugpensioen, werkloosheid onder de 50 jaar), het ambtenarenpensioen wordt sterk afgebroken richting het pensioen van de werknemers (het regeerakkoord bevat vier specifieke maatregelen in die zin) en de regering wil een puntensysteem invoeren, waarin de waarde van een punt afhangt van de situatie van de overheidsfinanciën, de levensverwachting en de evolutie van het gemiddeld loon. In Duitsland, dat zo’n puntensysteem al heeft, zijn de wettelijke pensioenen met 10 procent gedaald ten opzichte van de lonen.

De regering-Michel wil de steeds lagere wettelijke pensioenen compenseren door meer private pensioenen. Die private pensioenen zijn echter zeer ongelijk. De helft van de pensioenkapitalen gaan naar slechts vijf procent van de aangeslotenen9. Managers, CEO’s, kaderleden … bouwen voor miljoenen euro’s bedrijfspensioenrechten op, terwijl gewone werknemers het met enkele duizenden euro’s moeten doen. Een druppel op een hete plaat, wanneer de facturen van zorg en rusthuis binnen stromen.

De private pensioenen zijn ook duur. Onderzoek toont aan dat verzekeraars en financiële instellingen 20 tot 40 procent van de pensioengelden die in een volledige loopbaan worden opgebouwd, aanrekenen voor beheers-, administratie-, beleggingskosten. De wettelijke pensioenen zijn veel goedkoper10.

De private pensioenen zijn ook niet zonder risico. In Nederland, het walhalla van de aanvullende pensioenen, werden de pensioenfondsen in de crisis zwaar getroffen. Vierenvijftig grote pensioenfondsen hebben pensioenverlagingen doorgevoerd. Van de aanvullende pensioenopbouw voor jongere werknemers in Nederland wordt verwacht dat ze zo sterk zal dalen dat die jongeren 20 tot 30 procent minder pensioen zullen trekken dan de huidige gepensioneerden. Ook in België vielen er klappen. Door het faillissement van de groepsverzekeraar APRA Leven zijn duizenden werknemers hun opgebouwde aanvullende pensioenrechten kwijt geraakt.

De private pensioenen zijn tot slot zeer complex. Wie het geluk heeft om een privaat pensioenkapitaal bijeen te sparen, wordt geconfronteerd met de moeilijkheid om dat kapitaal na pensionering verder te beleggen.

3.2 Wettelijke pensioenen zijn goedkoper en minder risicovol

De meerderheid van de Belgen houdt vast aan een goed wettelijk pensioen. Dat blijkt uit de Grote Pensioenenquête van iVox voor Knack in 2015: 65 procent verkiest een hoger wettelijk pensioen, boven fiscale voordelen zoals pensioensparen, slechts 15 procent voor meer fiscale voordelen en 20 procent heeft geen mening.

Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing zullen de uitgaven voor de wettelijke pensioenen in België in 2060 lager liggen dan diezelfde uitgaven vandaag in landen als Frankrijk en Oostenrijk. Het is dus geen kwestie van betaalbaarheid, maar van keuzes in het fiscaal en sociaal beleid.

4. Besluit

De wettelijke pensioenen in België zijn laag. De pensioenkloof met onze buurlanden loopt op tot 50 procent, voor iemand die exact even lang gewerkt heeft en net evenveel verdiend heeft. De regering heeft de mond vol over de loonkloof, maar zwijgt in alle talen over deze pensioenkloof.

In de komende jaren riskeert de pensioenkloof nog te groeien. Dat blijkt uit een studie van het Planbureau, die aangeeft dat het wettelijk pensioen in verhouding tot het laatste loon voor mannelijke werknemers zal dalen met maar liefst 10 procent.

De meerderheid van de Belgen houdt vast aan een goed wettelijk pensioen. De Grote Pensioenenquête, uitgevoerd door iVox op vraag van Knack, geeft aan dat twee derde van de Belgen kiest voor een hoger wettelijk pensioen, in plaats van fiscale voordelen zoals pensioensparen. Dat is wel betaalbaar, indien we de welvaart wat eerlijker verdelen.

1. Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Deutsche Rentenversicherung (http://www.deutsche-rentenversicherung.de en https://www.seniorenbedarf.info/rente-mit-63).

2. Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Rijksdienst voor Pensioenen (http://www.sfpd.fgov.be).

3. Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Centrale infobank op http://www.la-retraite-en-clair.fr/pid1197/calculez-votre-retraite.html.

4. Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Caisse nationale d’assurance pension (http://www.cnap.lu/les-pensions/pension-de-vieillesse/calcul-du-montant-de-la-pension/).

5. Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Sociale verzekeringsbank (http://www.svb.nl/int/nl/aow/hoogte_aow/bedragen/index.jsp).

6. Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Oostenrijkse Arbeidskamer (https://www.arbeiterkammer.at/beratung/arbeitundrecht/pension/pensionsformen/Alterspension.html).

7. Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Sociale verzekeringsbank (http://www.svb.nl/int/nl/aow/hoogte_aow/bedragen/index.jsp).

8. Federaal Planbureau, Evolutie van de sociale kwaliteit van de eerstepijlerpensioenen, 2016, p. 26 (zie http://www.plan.be/admin/uploaded/201605261102470.REP_CEP2_11081.pdf).

9. Zie J. BERGHMAN, H. PEETERS en A. MUTSAERTS, De pensioenbescherming in België: overzicht en uitdagingen, in P. D’HOINE en B. PATTYN (eds.), Over de grenzen en generaties heen – XXI Lessen voor de eenentwintigste eeuw, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2012.

10. Zie J. PACOLET en T. STRENGS, Pensioenrendement vergeleken - Vergelijking van de performantie van de eerste versus de tweede en derde pensioenpijler, HIVA, 2009, 115.

Commentaar toevoegen

You must have Javascript enabled to use this form.