Recht op brugpensioen is nodig én betaalbaar

auteur: 

Kim De Witte

De vraag naar brugpensioen van werknemers van ArcelorMittal, Afga-Gevaert, Ford Genk… komt voort uit reële problemen: chronische vermoeidheid, ziekte en uitputting na een leven van zware arbeid. Maar is dat nog betaalbaar? Langer werken is voor veel werknemers gewoon niet haalbaar. Ze worden ziek en vallen terug op de ziekteverzekering of komen terecht in langdurige werkloosheid. En daar is natuurlijk ook een kostenplaatje aan verbonden. Kim De Witte, pensioenspecialist en lijsttrekker van PVDA+ in Limburg, onderzoekt de noodzaak en de betaalbaarheid van het recht op brugpensioen.Het ziekteverzuim piekt door de vergrijzing, zo besluit een recente studie van Securex, een internationaal bedrijf gespecialiseerd in human ressources en sociale administratie.  

 

Vooral het aantal zieken dat langer dan een jaar afwezig blijft, stijgt spectaculair: het verdubbelde tussen 2001 en 2013. Niet toevallig verdubbelde in diezelfde periode ook het aantal vijftigplussers op de arbeidsmarkt. Vijftigplussers zijn gemiddeld meer dan dubbel zo vaak afwezig als hun collega’s van onder de dertig, aldus Securex. 

Werknemers die 6 tot 7,5 jaar minder lang leven en 10 tot 18 jaar minder lang in goede gezondheid verkeren, hebben recht op rust na een leven van intense arbeid

De link is volgens Securex vlug gelegd: het stijgend aantal zieken is de keerzijde van werknemers die langer blijven werken. De toenemende werkdruk en -stress verergert de zaak. Bovendien is het fenomeen niet gelijk verspreid: bij arbeiders ligt het ziekteverzuim ruim anderhalf keer zo hoog als bij bedienden.  

Karel Van Eetvelt, gedelegeerd bestuurder van Unizo, wijst de zieken zelf met de vinger. “Misbruik van langdurige arbeidsongeschiktheid”, zo betichtte hij. Maar dat is wel zeer kort door de bocht. 

Over de gezondheid van oudere werknemers is al heel wat onderzoek verricht. Daaruit blijkt dat de gezonde levensverwachting (het te verwachten aantal gezonde levensjaren) een stuk lager ligt dan de totale levensverwachting. Bovendien zijn de verschillen tussen de socio-economische groepen in de samenleving zeer groot. 

Het verschil in levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groepen in de samenleving bedraagt meer dan 7,5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen. Tot een tijd terug werden die verschillen beetje bij beetje kleiner, maar recent nemen ze opnieuw toe. 

Bovendien zegt de levensverwachting niets over de kwaliteit van de geleefde jaren. Veel meer dan bij de totale levensverwachting, wordt de gezonde levensverwachting bepaald door de socio-economische groep waartoe een man/vrouw behoort. 

Het verschil in gezonde levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groepen in de samenleving bedraagt maar liefst 10 tot 18 jaar, zowel voor mannen als voor vrouwen. In 2004 lag de gezonde levensverwachting voor een 25-jarige man 

• op 71,33 jaar als hij hoger onderwijs had gevolgd. 

• op 66,54 jaar als hij middelbaar onderwijs had gevolgd. 

• op 61,65 jaar als hij lager onderwijs had gevolgd 

• op 52,75 jaar als hij geen onderwijs had gevolgd. 

Voor vrouwen lagen die cijfers respectievelijk op 72,1 jaar, 66,24 jaar, 61,27 jaar en 53,92 jaar. Verscheidene onderzoeken kwamen tot gelijkaardige resultaten1. 

De belangrijkste oorzaak van die verschillen ligt bij de arbeidsomstandigheden: blootstelling aan gevaarlijke producten, werktempo, belasting van het lichaam, stress door werkonzekerheid…2 

De vraag naar brugpensioen van werknemers bij ArcelorMittal, Afga-Gevaert, Ford Genk… sluit dan ook aan bij reële problemen: chronische vermoeidheid, ziekte en uitputting na een loopbaan van intense arbeid. 

Het gelijkheidsbeginsel in onze Grondwet verplicht niet alleen om gelijke gevallen gelijk te behandelen, het verplicht ook om ongelijke gevallen ongelijk te behandelen. Werknemers die 6 tot 7,5 jaar minder lang leven en 10 tot 18 jaar minder lang in goede gezondheid verkeren, hebben ook recht op rust na een leven van intense arbeid. Het brugpensioen maakt dat recht concreet. De inperking ervan is een schending van het grondrecht op pensioen, vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet, in artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest en in artikel 9 van het Ecosoc-Verdrag. Het is bovendien een schending van het gelijkheidsprincipe (gelijke toegang tot het recht op pensioen).

Recht op brugpensioen is wél betaalbaar

Langer werken is voor veel werknemers gewoon niet haalbaar. Volgens de cijfers van de RVA telt België meer dan 180.000 werkzoekenden boven de 50 jaar. Oudere werknemers die het geluk hebben gehad om wel nog werk te vinden, vallen vaker ziek door het alsmaar hogere werktempo. Aan werkloosheid en ziekte zijn natuurlijk ook kosten verbonden. Voor de berekening van de kosten van het brugpensioen moet men dan ook het gehele plaatje bekijken.

De keuze die vele oudere werknemers nu krijgen, is een keuze tussen brugpensioen, werkloosheid of ziekteverzekering. Het recht op werk ontbreekt. Vele ouderen willen werken. Het inkomen uit arbeid ligt een stuk hoger dan het vervangingsinkomen bij brugpensioen. Het recht op werk is nochtans, net zoals het recht op rust, een grondrecht vastgelegd in onze Grondwet. Momenteel wordt dat recht niet gerespecteerd voor een groot deel van de oudere beroepsbevolking. Een recht op werk vereist aangepaste arbeidsomstandigheden voor oudere werknemers: lager werktempo, lagere targets, voldoende pauzes, aangepast uurrooster… 

Naast een recht op werk is er een recht op rust. De precieze kostprijs van het recht op brugpensioen is moeilijk te berekenen. Meer mensen met brugpensioen kost in beginsel geld. Maar of het hier over een meeruitgave gaat, is zeer betwistbaar. Want er zijn ook besparingen en extra inkomsten aan verbonden. Vooreerst komen de werknemers die opgewerkt en uitgeblust zijn nu sowieso al terecht in de werkloosheid of de ziekteverzekering. De werkloosheidsuitkering van een bruggepensioneerde is begrensd op 1.175,98 

euro per maand. Dat bedrag ligt lager dan de maximale werkloosheidsuitkering van een werkzoekende. Ten tweede zorgt het recht op brugpensioen in een aantal gevallen voor een daling van de totale uitgaven van de sociale zekerheid. De bruggepensioneerde behoudt zijn statuut van bruggepensioneerde tot aan de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar. De uitkering van een bruggepensioneerde ligt in een aantal gevallen lager dan de wettelijke pensioenuitkering die dezelfde werknemer krijgt indien hij of zij met pensioen gaat op 60 of 62 jaar. In die periode van 3 tot 5 jaar spaart de sociale zekerheid in een aantal gevallen geld uit via het brugpensioen. Ten derde ontvangt de bruggepensioneerde een bedrijfstoeslag van de werkgever, waarop belastingen betaald worden. Dat zijn extra inkomsten voor de overheid. En ten vierde zorgt een correcte toepassing van de vervangingsplicht van de bruggepensioneerden voor meer jongeren die aan het werk zijn en voor extra inkomsten voor de overheid en de sociale zekerheid.

PVDA pleit voor recht op werk én recht op rust

Naast een recht op werk voor oudere werknemers, via aangepaste arbeidsvoorwaarden, pleit de PVDA voor een recht op rust. Het recht op brugpensioen in het algemene stelsel moet toegankelijk blijven vanaf de leeftijd van 58 jaar, mits een loopbaanvoorwaarde van 35 jaar. Voor zware beroepen is dat 56 jaar, mits een loopbaanvoorwaarde van 33 jaar (voor werknemers die minimaal 20 jaar gewerkt hebben in een stelsel van nachtarbeid, zoals gedefinieerd in cao nr. 46, of werknemers die vallen onder het paritair comité van het bouwbedrijf). 

Daarnaast pleit de PVDA voor fakkelbanen. Ouderen moeten de fakkel kunnen doorgeven aan jongeren, via de uitbreiding van de vervangingsplicht voor elke werknemer die met brugpensioen vertrekt (uitzondering voor bedrijven in moeilijkheden en in herstructurering). Momenteel geldt de vervangingsplicht alleeen voor bruggepensioneerden onder de 60 jaar en wordt ze vaak niet toegepast. De PVDA wil de vervangingsplicht uitbreiden naar alle werknemers, ook van boven de 60 jaar, en laten waken over de effectieve toepassing ervan. 

1 H. VAN OYEN, P. DEBOOSERE, V. LORANT en R. CHARAFEDDINE (eds.) (2011), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press, 34-36; N. BOSSUYT, S. GADEYNE, P. DEBOOSERE en H. VAN OYEN (2004), Socioeconomic inequalities in health expectancy in Belgium, Public Health 2004, 118(1), 3-10. •  2 K. VAN BEVER, T. ENGELBEEN, E. VAN REUSEL en D. VAN DUPPEN (2011), Retirement and socioeconomic inequalities, BMJ 2011, 342:c7400; W. NUSSELDER, C. LOOMAN, J. MACKENBACH, M. HUISMAN, H. VAN OYEN, P. DEBOOSERE, S. GADEYNE en A. KUNST (2005), The contribution of specific diseases to educational disparities in disability-free life expectancy, American Journal of Public Health 2005, 95(11), 2035-2041.

Commentaar toevoegen

Bij het indienen van dit fomulier gaat u akkoord met het privacybeleid van Mollom.