Israëlische landbouw op Palestijnse gronden in de vallei van de Jordaan. (Foto Solidair, Marco Van Hees)

Dagboek van een PVDA-volksvertegenwoordiger in Palestina (deel 4)

Marco Van Hees, volksvertegenwoordiger voor de PVDA in het federaal parlement, nam deel aan een vijfdaagse missie naar Palestina, georganiseerd door het CNCD (de Franstalige tegenhanger van 11.11.11). Hieronder het vierde deel van zijn verslag.

Deel 1 - Deel 2 - Deel 3 - Deel 5 - Deel 6

Maandag 3 november 2014

Wij zijn nu in Tel Aviv bij de hoofdvestiging van Who Profits, waar wij drie vertegenwoordigsters van deze vereniging ontmoeten. Who Profits werd in 2007 gesticht door de Coalition of Women for Peace en verricht opmerkelijke werkzaamheden: zij voert een onderzoek uit naar de activiteiten van Israëlische bedrijven die in strijd met het internationaal recht aanwezig zijn in de bezette Palestijnse gebieden. Zo worden een reeks producten en diensten geïdentificeerd die met name naar Europa geëxporteerd worden. In perfecte overeenstemming dus met de campagne Made in Illegality in het kader waarvan wij deze parlementaire missie volbrengen.

Who Profits beschikt over twee kanalen om de resultaten van haar onderzoeken te verspreiden. Enerzijds haar website, die tal van feitelijke informatie online verstrekt. Anderzijds ook een reeks thematische brochures met meer diepgaande achtergrondinformatie, bijvoorbeeld over de farmaceutische industrie, landbouwproducten…

Landbouwproducten, daar hebben onze gastvrouwen het juist over. Zij leggen een situatie uit die we daags nadien ter plekke in de Vallei van de Jordaan zullen constateren. De vrouwen maakten een inventarisatie van een aantal bedrijven die producten exporteren afkomstig van de landbouwteelt in de kolonies. De inbeslagname van gronden door Israëlische kolonisten is een groot probleem voor de Palestijnse landbouwers die hun velden steeds meer zien krimpen. Veel Palestijnse boerenbedrijven in de vallei van de Jordaan zijn dan ook verdwenen.       

Er ontstaat een discussie over hoe moeilijk het is om alle activiteiten te inventariseren die te maken hebben met de kolonies. Ondanks kwalitatief goed werk, stuiten de onderzoeksters van Who Profits vaak op een gebrek aan transparantie. Temeer daar bijna de hele Israëlische economie op een of andere wijze verbonden is met de kolonisatie. De banken, bijvoorbeeld, die de economische actoren financieren, publiek of privé, die bedrijvig zijn in kolonies. Zo valt ook de naam Dexia (die in België het mikpunt was van een met name door intal opgezette campagne) en die nog steeds haar Israëlische dochtermaatschappij niet opgaf. De campagne Made in Illegality moet eigenlijk dus als een eerste etappe beschouwd worden.

Wij bespreken ook, naast vele andere bedrijven, het geval van Elbit, het grootste private militaire bedrijf in Israël, waarvan de activiteiten zich uitstrekken van optische elektronica tot drones, en dat substantiële winsten binnenrijft (in 2003 kocht Elbit trouwens OIP op, een bedrijf uit Oudenaarde dat kalibreersystemen voor schietapparatuur, infrarood verrekijkers en ander optisch militair materiaal produceert). De bezette gebieden zijn testzones voor de gemilitariseerde politierepressie. Israëlische bedrijven aarzelen ook niet om dit als verkoopargument naar voor te brengen om hun reputatie te verstevigen en in de hele wereld hun repressieve producten aan de man te brengen.  “Wij hebben het uitgetest tegen de Palestijnen, het werkt prima.” Iets in die zin.

Lunch bij de ambassadeur

In Tel Aviv, worden wij – dat hoort er als parlementaire delegatie nu eenmaal bij –  ontvangen voor een lunch in de residentie van de ambassadeur. Vooraleer hij België in Israël vertegenwoordigde, was graaf Jean Cornet d’Elzius de adviseur van onze inmiddels tot koning ge-upgrade kroonprins Filip (de ambassadeur vertrouwt ons toe dat hij royalist is, maar voorstander van een grondwettelijke monarchie  –  wat een opluchting, ik mag mijn zetel in het Parlement behouden!). Tijdens de maaltijd kom ik naast hem te zitten en wendt hij zich tot mij met gedistingeerde verbijstering:  “U bent dus volksvertegenwoordiger… voor de PVDA.” Om zelf diplomaat te blijven, zal ik hier niet verder ingaan op de discussie. Laten we het erbij houden dat ik een ontmoeting had met een machine die excuses fabriceert voor de Israëlische politiek. En ik hoorde één credo: laat ons druk uitoefenen op de Israëlische regering, maar voorál, voorál, laat ons deze nooit tegen de borst stuiten. Onze conclusie luidt dus dat hij zijn job van ambassadeur uitstekend vervult, hij zit op dezelfde golflengte als het beleid van de Belgische regering.

Politieke recuperatie van de genocide

Terug in Jeruzalem bezoeken wij het memoriaal van Yad Vachem, met het relaas van de nazipolitiek ten aanzien van de Joden. Het gebeurt mij meermaals dat ik het tijdens dit bezoek niet kan laten om de link te leggen met het in Israël toegepaste beleid. Weliswaar niet de genocide, maar de getto’s, de etnische zuivering, de misdaden, de politieke apartheid…

De laatste zaal betreft de uittocht van de Joden naar Palestina. Alsof die de logische consequentie was van de vervolgingen en de genocide. Henri Wajnblum, die deelneemt aan onze missie in naam van de Unie van progressieve Joden van België,  en wiens vader slachtoffer was van de uitroeiing door de nazi’s, nam geen deel aan dit bezoek. Bij onze terugkeer in de minibus die ons het hele verblijf vervoert, legt hij ook uit waarom. Eén keer was hij in het memoriaal, jaren geleden, en hij besloot toen er nooit meer heen te gaan. Om geen legitimiteit te geven aan wat voor hem een onrechtmatige toe-eigening inhoudt. Vóór WO II was de (in Polen en Rusland opgerichte) Bund, de belangrijkste Joodse politieke beweging, antizionistisch en die eiste plaats op voor de Joden in Europa. De genocide is een Europees feit. Het memoriaal in Jeruzalem plaatsen is een recuperatie van de genocide.   

Een oud Belgo-Israëlisch geschil

‘s Avonds, in Jeruzalem, nemen we deel aan een grote receptie in de residentie van de consul-generaal van België in Jeruzalem (die in tegenstelling tot de ambassadeur, die in Tel Aviv zit, verantwoordelijk is voor de Palestijnse gebieden en voor heel Jeruzalem, Oost en West).

Deze residentie, een fantastisch paleis in art-decostijl, is bijzonder indrukwekkend. Tijdens de receptie vertrouwt de consul ons toe dat het huis voorwerp was van een langdurig geschil tussen België en Israël. Gebouwd in de jaren 1930 was de Villa Salameh eigendom van een Palestijns zakenman die in 1948 uit Jeruzalem vluchtte als slachtoffer van het machtsmisbruik van de zionisten en die het gebouw aan België verhuurde. Ons land heeft nooit de “wet over de afwezigen” aanvaard, krachtens dewelke Israël zich het recht toe-eigent om beslag te leggen op bezittingen van Palestijnen in ballingschap die hun huis langer dan zes maanden verlaten. Toen krachtens deze wet de villa verkocht werd aan een Israëlisch zakenman, kwam er een diplomatieke rel van, omdat België weigerde de residentie van de consul-generaal te verplaatsen. De kwestie werd uiteindelijk door een onafhankelijk bemiddelaar beslecht (België behoudt het gebouw mits financiële compensatie), maar de zaak blijft eraan herinneren dat duizenden Palestijnen moeten meemaken dat hun huizen in beslag worden genomen, zonder dat zij zelfs de kans krijgen om ze te verkopen.  

Commentaar toevoegen

Bij het indienen van dit fomulier gaat u akkoord met het privacybeleid van Mollom.